Bekijk het origineel

Verachteren in de genade (II-Slot)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Verachteren in de genade (II-Slot)

4 minuten leestijd

Hebben wij in het eerste stuk in korte trekken eenige aan wijzigingen gegeven waarin het voortgaan in de genade bestaat, thans zal het niet moeielijk vallen een gevolgtrekking te maken wat verachteren in de genade is.
Daaronder moet niet verstaan worden het dagelijksch struikelen, dat met gedurig zuchten en worstelen gepaard gaat en de klacht doet slaken dat men zoo weinig heiligmaking bij zichzelven bespeurt, want deze klacht is veeleer een gevolg van meerdere zelfkennis, waardoor men meer zonden krijgt te zien dan vroeger. Die gedurig klaagt over zichzelven en met zijn gebrekkige heiligmaking telkens tot den troon der genade vlucht om meer vordering in den weg der godzaligheid, heeft nog niet over verachtering te klagen.
Tot de verachtering in de genade moet echter gerekend worden: Toename van duisternis op geestelijk gebied. Evenals wasdom bestaat in vermeerdering van geestelijke kennis, zoo ook is achteruitgang in de genade eene gestadige achteruitgang in geestelijke kennis, welke zich openbaart in vermindering van geestelijke werkzaamheden. Hoe meer goddelijk licht bet hart bestraalt, hoe meer Gods kinderen eigen duisternis gewaar worden en daaruit worden werkzaamheden en geloofsoefeningen in het verborgen geboren. Dit nu houdt op, althans vermindert bij achteruitgang in do genade. Het verfoeien van zichzelven, het betreuren van zijne zonden, het beschouwen van zichzelven als een alles verbeurd hebbend zondaar wordt dan minder levendig en het gebed is dan vaak slechts een vorm, waarin het hartelijke, het ootmoedige, het komen als een gansch onwaardig zondaar ontbreekt, terwijl wegens afname van het geestelijk licht niet eens gezien wordt, dat het licht van vroeger gemist wordt. „De grauwigheid ia op hem verspreid en hij merkt het niet” (Hozea 7 : 9), zoo wordt van Efraïm gezegd en in dat woord vinden wij ook de teekening van een kind des Heeren dat in de genade verachterd is. Evenals des avonds de schemering ongemerkt intreedt en langzamerhand de duisternis de aarde bedekt, zoo ook vermindert bij het verachteren in de genade het licht en de kennis aangaande God en goddelijke zaken. Een voorbeeld van verachterden in de genade geeft ons de Schrift in de gelijkenis van de wijze maagden Van hen wordt gezegd: „Zij werden allen sluimerig en vielen in slaap”. Als de mensch sluimert, dan hoort hij nog wel, maar hij mist de rechte opmerkzaamheid. Hij ziet nog wel het een en ander, maar hij kan de zaken niet juist meer onderscheiden. Straks is de waarneming geheel en al opgehouden.
Evenzoo gaat bet den verachterenden christen. De rechte smaak gaat weg, hij wordt licht medegevoerd, hij onderscheidt niet scherp meer het kostelijke van het snoode.
Daarbij openbaart verachtering in de genade zich in vermindering van behoefte aan Christus, Bij wasdom in de genade wordt Christus al dierbaarder en noodzakelijker , doch bij verachtering wordt het tegendeel aanschouwd. Er is dan geen behoefte om op te wassen in de kennis en genade van Jezus Christus, doch een doodig voortleven op de genade die men vroeger ontvangen heeft. Wij bedoelen hiermede niet die korte tijden waarin de christen minder werkzaam is, want de christen is altijd niet even levendig gesteld, maar eene voortdurende toestand, waarin het geestelijk leven kwijnt.
Dit verachteren kenmerkt zich dan ook in een langzaam toegeven aan de zonde. Even vurig als het strijden tegen de zonde is, waar het geestelijk leven bloeit, even traag is men dan in het benaarstigen. Inzonderheid komt dit uit in het gebedsleven, Vandaar dan ook de vermaningen in Gods Woord; „Richt weder op de trage handen en slappe knieën. Maakt rechte paden voor uwe voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veel meer genezen worde”.
Bij het verachteren in de genade ziet men ook toegeven aan wereld gelijkvormigheid. Plaatsen en gezelschappen waar en waarin de christen zich niet op zijne plaats gevoelt in tijden van opgewekt geestelijk leven, worden dan minder gemeden. Wat er vroeger niet door kon is dan geen bezwaar meer, in één woord de teederheid der conscientie maakt dan plaats voor een slordigen wandel. Toen David zeer dicht bij zijn God leefde, sloeg zelfs zijne conscientie toen hij een slip van Sauls mantel had afgesneden, en later verachterd in de genade durft hij zelfs den Uria’s brief te schrijven, waarin hij beveelt dat die trouwe onderdaan den dood in de armen gevoerd worden moet. Verachtering in de genade wordt dus ook in den wandel openbaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1911

De Wekker | 4 Pagina's

Verachteren in de genade (II-Slot)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1911

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken