Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Grove Beschuldigingen (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Grove Beschuldigingen (II)

5 minuten leestijd

Onder de grove beschuldigingen, welke Ds. Hagen der Chr. Geref. Kerk voor de voeten werpt, behoort deze:
„Alle andere kerken, behalve de Roomschen, gelooven dat zij niet een zuivere kerk zijn, maar ook nog veel gebreken hebben. Niet alzoo de Chr, Geref. Kerk”.
Mag ik Ds. H, verzoeken eens mede te doelen waar en wanneer de Chr. Geref. Kerk beweerd heeft zonder gebreken te zijn? Heeft één harer synoden dat uitgesproken ? Wel erkent zij de zuivere voortzetting te zijn van de Christ. Geref. Kerk gelijk die vóór 1892 bestond en uit de Scheiding van 1834 ontstaan is en mag zij met dank aan God erkennen bewaard te zijn hij de zuivere leer der waarheid uitgedrukt in hare Belijdenisschriften, zoodat in haar midden niet geduld worden de afwijkende leeringen in zake den Doop, de wedergeboorte, de rechtvaardiging enz, welke in „de Geref. Eerken” zelfs in de Utrechtsche leerbepalingen synodaal gesanctioneerd zijn.
Een volgende beschuldiging van Ds. H. is: „De tegenwoordige Chr. Geref. Kerk heeft geen recht om te zeggen, dat zij staande is gebleven”.
Wellicht vragen onze lezers: Waarom heeft zij dat recht niet? Welnu, Ds, H. zal het u zeggen:
1° „omdat één van hun voornaamste leiders, Ds. van Lingen geen man van de Scheiding was, dus ook niet staande kon blijven”.
Maar kent Ds. H. dan de historie niet? Weet hij niet dat Ds. van Lingen van de doleantie tot de Scheiding is overgegaan, omdat hij overtuigd was van het goed recht der Scheiding en het verkeerde in de doleantie? Dit geschiedde vóór 1892. Hij werd dus van Doleantieman man der Scheiding, en verklaarde nu in Juni 1892 dit te willen blijven. Men moet dus wel geheel onkundig zijn op het gebied onzer vaderlandsche kerkgeschiedenis om zoo iets te beweren als Ds. H. doet.
2°. reden, waarom de Chr. Geref. Kerk niet mag beweren staande te zijn gebleven is: „dat de Chr. Geref. Kerk in ’92 en daarna allerlei elementen tot zich getrokken en aan zich verbonden heeft, die volstrekt ook geen mannen van de Scheiding waren (vooral ook onder hunne predikanten)”.
Dus omdat enkele personen tot de Chr. Geref. Kerk overkwamen uit ander kerken en door woord en daad toonden met het beginsel onzer Kerk in te stemmen en daarna in de kerk tot den dienst des Woords werden toegelaten, is de Kerk niet staande gebleven? Wat een argument! Toen in Juni 1892 de Chr. Geref. Kerk, hoewel zeer verkleurd, niet met de vereeniging mede ging was zij dus wèl staande gebleven, maar omdat zij later enkele predikanten kreeg, die van huis uit geen mannen der Scheiding waren, heeft zij dus opgehouden „staande gebleven” te zijn, volgens de redeneering van Ds, H.
Als 3de reden noemt Ds. H.: „dat mannen als Prof. Bavinck, Lindeboom, Noordtzij, Wielenga e, a. beter de beginselen der Scheiding kenden, dan de voormannen die in ’92 niet wilden vereenigen”.
Ja, die mannen kenden de beginselen der Scheiding heel goed. Zij streden er voor van 1886—1888. Prof. Lindeboom waarschuwde zelfs de Christ. Geref. Kerk voor de opengezette fuik der doleantie. Op de Synode van Assen in 1888 werden de beginselen der Scheiding door de voormannen der Chr. Geref. Kerk dan ook duidelijk uitgesproken. Maar wat gebeurde er? Als zóó de beginselen der Scheiding werden gehandhaafd als te Assen in 1888, dan kwam er van de vereeniging niets, zoo sprak men het uit van de zijde der doleantie. En nu kwam er kentering. De eischen van Assen werden ter zijde gesteld en te Leeuwarden wist prof. Bavinck te bewerken dat niet meer over de beginselkwestie werd gesproken, maar dat men deze latende rusten, alleen op grond van eenheid in de aangenomen Belijdenisschriften zou vereenigen. De voormannen nu van 1892 die niet wilden vereenigen, hielden vast, wat de andere voormannen sedert 1888 hadden losgelaten.
Als 4de reden noemt Ds. H.: „dat de Chr. Geref. Kerk in 1893 opnieuw erkenning heeft aangevraagd aan de overheid, dus een jaar na de vereeniging; ze is dus een nieuw genoodschap geworden.
De Chr. Geref. Kerk heeft nimmer erkenning aangevraagd. Alleen gaf zij op hare eerste Synode in Januari 1893 aan de regeering kennis, dat de Chr. Geref. Kerk nimmer heeft opgehouden te bestaan, maar in 1892 terstond is blijven voortbestaan in die gemeenten, welke met de vereeniging niet medegingen. Wat nu dat nieuwe genootschap betreft, ook „de Geref. Kerken” zijn in de sfeer van het staatsrecht „een nieuw genootschap, ontstaan uit de vereeniging van de Chr. Geref. Kerk en de Ned. Geref. Kerken”, daar zij evenals wij voldeden aan de Wet op de kerkgenootschappen van 1853.
De beschuldigingen van Ds. H. smelten dus weg als sneeuw voor de zon. Zij hebben goed beschouwd niets te beteekenen. Een volgende maal hopen wij te zien wat nog meer tegen de Chr. Geref. Kerk wordt ingebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 september 1911

De Wekker | 4 Pagina's

Grove Beschuldigingen (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 september 1911

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken