Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Antwoord aan Ds. Diermanse

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Antwoord aan Ds. Diermanse

6 minuten leestijd

Hooggeachte broeder!

Op uw schrijven in de Wekker mag ik mijn antwoord niet schuldig blijven. In uwe brochure, pag. 25 zegt u van de Doleantie: Zij is later meer ten volle tot het standpunt der afscheiding gekomen. Lees ik dezen zin nu goed dan kan uwe bedoeling daarmede geen andere zijn dan deze: De doleantie was in den aanvang wat anders dan de Afscheiding en eerst later kwam zij ten volle op bet standpunt der scheiding. U is het dus met mij eens dat Scheiding en Doleantie op verschillend standpunt staan. Dit is dan ook zoo duidelijk uitgesproken in de Acta onzer Christ. Geref. Synode te Assen in 1888 en door vele voorname mannen als Dr. Kuyper, Dr. Bavinck, om anderen niet te noemen, dat hierover tusschen ons geen verschil zal bestaan. Het standpunt der Scheiding werd te Assen zóó juist omschreven in Besluit II dier synode dat de Doleerenden gevoelden dat op grondslag van de Asser besluiten vereeniging onmogelijk was. Ware de vereeniging op den Asser grondslag geschied, dan ware de Doleantie „ten volle tot het het standpunt der Scheiding gekomen.” Dit wilden de doleerenden toen niet. Immers hun beginsel stond principieel tegenover dat der Scheiding. Niemand minder dan Prof. Geesink heeft dit uitgesproken in zijn „Overzicht der Ned. Geref. Kerken in de negentiende eeuw” met deze woorden: „Geen prijsgeven van het recht op de kerkelijke goederen werd bedoeld, maar evenmin separatie, want niet de kerken dezer landen waren valsche kerken geworden, maar slechts de over deze kerken gekomen hiërarchie was antichristelijk. Op vrijmaking van de oude historische kerken werd dan ook gedoeld.” Stel hiertegen over nu het beginsel der Scheiding. Dit beginsel werd door de Chr. Geref. Synode van 1851 omschreven als „het verlaten van een kerkgenootschap, hetwelk het kenmerkende van de ware kerk geheel heeft verloren” dan kan er tusschen br. Diermanse en ons geen verschil zijn over de vraag of de Doleantie niet op een ander standpunt staat.
Misschien gaat het dus over de vraag: Is de Doleantie later meer ten volle tot het standpunt der Afscheiding gekomen ? Wij meenen van niet. In 1888 nog niet, gelijk blijkt uit de verwerping van de echte Afgescheidene Asser besluiten door de Doleerenden. In 1889 ook nog niet, want toen legden de Doleerenden aan de Synode te Kampen eene concept-acte voor die zoo scherp tegenover de Scheiding stond dat een der Chr. Geref. Synodeleden zeide: „Het beginsel der Doleerende broeders: „De Vaderlandsche kerk redden, loopt er als een draad van het begin tot het einde door; van Afscheiding willen zij niet hooren? In 1891 te ’s Gravenhage, waren de Doleerenden ook nog niet op het standpunt der Afscheiding gekomen, want aldaar werd besloten ieders standpunt „zonder elkander hierin te oordeelen, voor eigen rekening te nemen.” Zelfs werd op den eisch onze Leeuwarder Synode dat wederzijds wordt uitgesproken te hebben gebroken èn met de Hervormde kerk èn met de leden dier kerk in corporatieven en plaatselijken zin, door de commissie van de Doleerende Synode geantwoord, dat hierin niet de bedoeling lag dat zij „met de dogmatische toepassing van het begrip: valsche kerk, op het Synodaal instituut, zouden meegaan. Deze grondslagen van Leeuwarden zijn in 1892 te Amsterdam goedgekeurd, zonder zonder dat de Doleantie op het standpunt der Scheiding kwam. Zoo sterk hield de Doleantie vast aan haar standpunt dat in 1891 de Doleerenden eischten, dat de uitdrukking: overgaan van de Ned. Herv. kerk tot de kerken der Scheiding of der Doleantie, moest gewijzigd in: zich voegen bij, omdat dat woord overgaan volgens Dr. Kuyper „wel past bij de kerken der Scheiding, maar strijdt met de oeconomie van de kerken der Doleantie ” Tot de vereeniging in 1892 kwam de Doleantie dus niet op het standpunt der Afscheiding.
Kan br. Diermanse mij nu mededeelen uit welk officieel stuk blijkt dat hierin verandering kwam na 1892? Is na de vereeniging het beding geschonden dat separatie en doleantie gelijk recht van bestaan gaf? Het is mij niet bekend.
”Wat br. Diermanse vervolgens zegt van den vader der Afscheiding Ds. H. de Cock beamen wij volkomen. De Afscheiding was niet uitgangspunt maar slotsom van zijn strijd in de Hervormde kerk. Terecht zegt Ds. Diermanse dat Ds. de Cock eerst principieel tegen de scheiding over stond. Hij werd echter overtuigd dat de Herv. kerk niet de kerk van Christus maar eene liberale en valsche kerk was, en scheidde zich daarop van die kerk af.
Dit heeft de Doleantie nooit gedaan. Zij heeft nooit de scheiding aanvaard. Vóór 1886 trachtte men de kerk in de kerk te reformeeren en na de uitwerping of afsnijding door de Herv. besturen bleef men principieel tegen de Afscheiding staan. Dat de Herv. kerk als genootschap een valsche kerk is, erkende men nimmer. De juiste definitie van Ds. Diermanse: „Het beginsel van de scheiding is: zij van wie wij ons nu scheiden, zijn de Kerk, gelijk zij zich uitwendig in het leven openbaart, niet” onderschreven zij nimmer. Ook thans nog zijn voor de mannen der Doleantie de plaatselijke gemeenten der Herv. kerk: nog niet ontkomen ware Gereformeerde kerken, die tot reformatie gebracht moeten worden, en geenszins plaatselijke afdeelingen van de liberale Hervormde kerk. De doleantie is dan ook onoprecht. Zij wil niet erkennen te zijn wat zij practisch geworden is. Zij erkent hare afsnijding van de Herv. kerk niet als scheiding. Zij is nog nooit gekomen, waar de Cock kwam: Verwerping van de Herv. kerk omdat zij de kerk niet meer is.
Wanneer de Doleantie dáár komt en erkent: Wij wilden geen afscheiding maar zijn gekomen waar wij niet zijn wilden, wij stelden daarom tegen de kerk der scheiding eene andere kerk en dwaalden toen wij meenden ons tegen de Afscheiding te moeten stellen, dan zullen wij hen nimmer meer aanwrijven dat zij niet in één sprong gekomen zijn, waar zij reeds eerder hadden behooren te wezen.
Dwalen is menschelijk maar erkennen van dwaling is christelijk. Niet dat de doleerenden meenden op andere wijze tot reformatie te moeten komen, duiden wij hen ten kwade. Zij waren evenals wij gebrekkige menschen, vatbaar voor dwaling. Maar toen zij zoo meenden, gingen wij hunne meening aan Gods Woord en onze belijdenis toetsen en kwamen tot de overtuiging dat hunne doleantiebegrippen in strijd zijn met de Heilige Schrift welke afscheiding eischt van de valsche kerk volgens Art. 28 onzer Confessie.
Ten slotte nog één vraag aan br. Diermanse: U schrijft aan het slot van uw stuk: „Dat de broeders der Doleantie éérst meenden te moeten trachten op eene andere wijze tot reformatie te komen,” Dat woordje eerst, doet mij vragen: Meenen zij dat nu niet meer ? Zijn zij tot eene andere zienswijze gekomen ? Erkennen zij door doleantie tot scheiding gekomen te zijn?
Met welgemeenden broedergroet, verblijf ik ook met verschil van beschouwing

Uw heilb. broeder en studievriend
P.J.M. DE BRUIN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1912

De Wekker | 4 Pagina's

Antwoord aan Ds. Diermanse

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1912

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken