Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Art. 36 onzer Confessie (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Art. 36 onzer Confessie (I)

4 minuten leestijd

J. L. te L. wenscht een antwoord op de zeer ingewikkelde vraag:
„Hoe is uw oordeel over de schrapping van Art. 36 van de confessie der Gereformeerde kerken eenige jaren geleden op hare synode geschied? Kan werkelijk een bepaalde confessie zoo stringent in strijd zijn met de cultuurontwikkeling, dat de kerk er zelf van afziet de doorvoering te eischen?”
Allereerst merken wij op dat de Synode van Utrecht in 1905 door „de Geref. kerken” gehouden, niet het geheele Art. 36 onzer confessie geschrapt heeft, maar alleen de woorden: „om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen „godsdienst en het rijk van den Antichrist te , gronde te werpen”.
Alvorens wij nu ons oordeel over die schrapping zelve uitspreken, willen wij tot recht verstand der zaken eerst de beteekenis van de gewraakte woorden uit Art. 36 toelichten. Do belijdenis, die in dit artikel van het ambt der Overheid spreekt, rekent ook tot de roeping der Overheid het weren en uitroeien van alle afgoderij en valschen godsdienst en het te gronde werpen van het rijk des Antichrists, In de uitdrukkingen: uitroeien en te gronde werpen ligt opgesloten het gebruik van geweld. Dat de belijdenis dit ook bedoelt, blijkt uit de uitgaaf van 1562, welke de oorspronkelijke is, waar de confessie zich beroept op 1 Kon. 15 :12 en 2 Kon. 23 : 1 en vervolgens, waar gesproken wordt van de koningen Asa en Josia, die de afgoden uit het land wegdeden. Dit uitroeien nu, moet de Overheid toepassen niet alleen op de afgoderij en valsche godsdiensten, maar ook op het rijk des Antichrists, waarmede de belijdenis niet anders bedoelt dan de Roomsche kerk.
De taak van de Overheid zou dus zijn alle middelen aan te wenden, des noods schavot en brandstapel, om alle valsche godsdienst en afgoderij, mitsgaders de Roomsche kerk uit te roeien. Dit hebben onze Gereformeerde vaderen inderdaad bedoeld met dit gedeelte van Art. 36, en alle deinsden zij voor de consequente uitvoering terug, zoodat zij het zwaard niet gebruikten om Roomschen en allerlei valsche godsdiensten uit te roeien, toch trachtten zij door allerlei middelen allerlei valsche eerediensten tegen te gaan. Zelfs onderschreven onze vaderen op de Synode van Emden in 1571 ook de fransche confessie , die nog sterker spreekt en zelfs zegt:
„Om deze oorzaken heeft God het zwaard in de handen der Overheidspersonen gegeven om tegen te gaan de zonden, die begaan worden niet alleen tegen de tweede tafel van de geboden Gods, maar ook togen de eerste tafel”.
In Art. 36 wordt dus de roeping der Overheid om des noods met geweld alle valsche godsdienst uit te roeien, beleden, daarmede in hoofdzaak de Roomsche kerk bedoelende. Vandaar dan ook de verzoeken in de 17de eeuw door de kerk telkens aan de Overheid gericht om de plakkaten tegen de Roomschen te verscherpen de samenkomsten der Remonstranten te verbieden, zelfs die der Luther-schen te beletten en alle secten als Hattemisten Labadisten enz. uit te roeien. De Overheid van onze Nederlandsche Republiek, hoewel zelve professie doende van de Gereformeerde religie, heeft echter de bedoelde zinsnede in Art. 36 zelden in praktijk gebracht. Wel verschenen er, wanneer de Gereformeerden wat sterk aandrongen, van tijd tot tijd plakkaten tegen de „Paapsche stoutigheden”, en verbodsbepalingen omtrent godsdienstoefeningen van Remonstranten enz, maar toch hadden er zelden vervolgingen plaats. Zelfs werden allerlei vrijgeesten, die godslasterlijke geschriften uitgaven in ons land geduld. Een man als Cartesius, die het zaad zijner verderfelijke filosofie met kwistige hand zaaide, vond in ons land eene veilige schudplaats. Joden en ketters, in het Buitenland vervolgd, waren hier veilig. De Overheid leefde dus niet naar Art. 36, al beleed ook de kerk dat zij de roeping had afgoderij en valschen godsdienst uit te roeien. Geloofsvervolging wilde zij niet, en de kerk durfde haar niet consequent door te voeren. „Wat nu de Overheid niet wilde en de kerk niet consequent durfde doorvoeren, werd later bij gewijzigde verhouding van kerk en staat in de negentiende eeuw, door vele Gereformeerden in verschillende landen zelfs in strijd met de roeping der Overheid beschouwd. Zou het nu mogelijk zijn, dat die beschouwing meer met de Schrift overeenstemt dan die der zestiende eeuw?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1912

De Wekker | 6 Pagina's

Art. 36 onzer Confessie (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1912

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken