Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geen recht van bestaan? (VII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geen recht van bestaan? (VII)

7 minuten leestijd

Het was in het jaar 1896, dat prof. Lindeboom, een zeer interessante brochure in 't licht gaf, getiteld: „Bewaar het pand u toebetrouwd”. Zij was gericht aan de kerkeraden en aan de leden van de Gereformeerde Kerken in Nederland.” Het was in de troebele dagen toen de Kerkeraad van Bedum met een voorbeeldige moed een bezwaar had ingebracht tegen de afwijkende gevoelens van prof. Kuyper. Deze bezwaren betroffen bijna dezelfde leerstukken als die later in 1905 in de 5 stellingen van den Wachterbond ter sprake werden gebracht. In genoemde brochure kon prof. Lindeboom, de bekende voorvechter van de A-richting in de Gereformeerde kerken, het niet verkroppen, om zijn afkeuring uit te spreken over de behandeling hun aangedaan, die de moed hadden het voor de oude Gereformeerde waarheid, zooals deze in de belijdenis was omschreven, op te komen. Hij zegt „onbeschroomd en onbeschaamd wordt reeds de Kerkeraad van Bedum, een plattelandskerkeraad” publiek behandeld als lieden die spreken over dingen, waarvan zij geen verstand hebben, noch kunnen hebben. Dr. K. zelf is weer daarmede begonnen en hij ontziet zich niet, artikelen, die hem bovenmate lof geven en den Kerkeraad grovelijk beleedigen met een uiting van welbehagen in „de Heraut” op te nemen”.
Deze zin is hierom waard geciteerd te worden, opdat wij, Christelijk Gereformeerden ons toch niet zouden verwonderen, wanneer wij met gelijke munt worden uitbetaald als eens de „plattelandskerkeraad” van Bedum. Ook wij worden soms door die hoog-wetenschappelijke mannen in de Geref. kerken als onbevoegd, als onwetenschappelijk geboekt, maar het deert ons niet zoolang wij Gods Woord en de Gereformeerde belijdenis aan onze zijde hebben. Wij houden staande, dat in een zuivere Gereformeerde kerk niets mag worden geduld noch geleerd, wat in strijd met haar belijdenis moet geacht. De Kerk, welke dezen vasten bodem verlaat, is aan den weerhaan gelijk en in zulk een kerk, dat ben ik met prof, Lindeboom geheel eens, komt men al heel spoedig van „wijziging” van „voorstelling” tot „verandering” en van verandering van voorstelling tot verandering der voorgestelde zaken — is de afstand niet zoo groot.” Commentaar is hier overbodig; de „Gereformeerde kerken” zijn hiervoor ons tot leering en waarschuwing. Wat men in haar midden leert en wat door de steeds sterker wordende B. richting in woord en geschrift wordt verbreidt, zegt ons luide, dat deze kerken dien vasten bodem hebben verlaten. Ook Prof. Lindeboom bespreekt die afwijkende B.-richting, waarover hij op zijn eigen krasse, maar daarom nog niet te krasse wijze een scherp oordeel valt. Ook ZHGl. bevalt dat praatje, „binnen de grenzen der belijdenis” niet. Wanneer hij over die belijdenisschriften spreekt zegt hij o.m. „nu komt het niemand toe, te beslissen, dat leeringen, die daarin niet worden beleden, veelmin, die van het daarin beledene afwijken, binnen den kring der belijdenis” liggen. Veel minder mag het worden geduld, dat de uitspraken van oudere of Nieuwere Geref. schrijvers metterdaad boven die belijdenis worden gesteld. Wanneer, gelijk op menige plaats, sedert jaren geschiedt, voorgangers zulke leeringen aan de Gemeenten opdwingen als het Gereformeerde, zegt, wordt de gemeente dan niet in haar rechten verkort, wordt haar vrijheid niet in dienstbaarheid veranderd? Broeders en zusters — zoo roept op zeer ernstige waarschuwende toon de Kamper professor — wordt geen dienaar van menschen. Stelt geen vleesch tot uw arm. Hebt het geloof van Christus niet met aanneming des persoons. Schaamt u tegenover niemand in of buiten de gemeente de belijdenis van het Woord van God. Hebt geen gemeenschap aan andere zonden.” Waarlijk het moet toegestemd er behoort een zekere dosis moed toe om alzoo een sterke richting in die „Geref. Kerken” op zijn nummer te zetten en dan dient vooral niet vergeten, dat hier een professor van de school dier Kerken aan 't woord is. Maar het is jammer; bij prof. Lindeboom c.s. is het bij woorden gebleven. Het zuiver confessioneel beginsel werd door ZHGl. altijd in heldere taal verdedigd, maar de moed om nu ook beginselvastheid in praktijk te brengen ontbrak en wanneer het op daden aankwam om „de puntjes op de i te zetten” dan laveerde men mee, dan gaf men weer toe, wat men eerst in geschrift zoo streng had veroordeeld. En al zong men dan niet de hoogste toon, men neuriede toch mee „in dat alles behoort vrijheid van gevoelen te zijn”. De halfslachtige besluiten der Synode van 1905 in zake leergeschillen zijn hier ten bewijze.
Als het maar niet op daden aankomt, als het maar bij woorden kan blijven dan durft prof. Lindeboom het wel te zeggen. Dan vindt hij haast zijn evenknie niet in de Geref Kerken. Oordeel zelf over deze passage uit genoemde brochure „Al voortredeneerend, laat hij (nl. Dr. Kuyper), de roeping weg uit den „keten der zaligheid”, waarin de roeping aan de rechtvaardigmaking voorafgaat — en de helder de wederbarende daad Gods aanduidt.
Volgens Dr. K. komt de roeping alleen tot reeds wedergeborenen, wanneer de wedergeboorte geschiedt zegt hij niet. Consequent moet hij de wedergeboorte stellen vóór de natuurlijke geboorte, ja, reeds van eeuwigheid. Hoe hij daarbij aan het deluminisme ontkomen kan, is mij onbegrijpelijk. Dat alzoo de bediening des Woords en ook de Evangelieprediking aan de heidenen nooit de strekking kan hebben om voor doode zondaren het middel tot wederbaring te worden, is mij duidelijk; en ik beef voor zulk een leer, die er toe leidt de niet wedergeboren te behandelen als reeds verdoemden. Zulk een prediking heeft geen enkel woord van blijde boodschap (Evangelie) voor de menschen in en buiten de gemeente, die nog vervreemd zijn van het leven Gods. Zij moet uit den Bijbel schrappen al wat God spreekt van vindenstijd, dag der genade, geen lust in den dood des zondaars.
O broeders, die zulk een leer predikt, houdt toch op met zulk een verklaring der leer van Christus! Hoe zult gij ze kunnen verantwoorden voor uwen Zender, die te komen staat en die, scheidende, Zijn Apostelen heeft bevolen „Predikt het Evangelie allen creaturen”, niet die van eeuwigheid gerechtvaardigd is, zal het bewustzijn daarvan ontvangen door 't geloof, maar die geloof zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.
Christus plaatst de menschen voor het Evangelie en vermaant ze te gelooven. Gijlieden doet gij wel anders dan menschen plaatsen voor Gods verborgen raad? En uw gebed — hoe kan het anders zijn dan een bede, dat de uitverkorenen weder geboren worden — neen — goed doorgedacht , ook zelfs dat niet — maar tot geloofsactie en bekeering worden gebracht?” Dit woord van prof. Lindeboom eert hem. Het is niet alleen schoon en goed gezegd, maar ge beluistert er zoo duidelijk de hartslag der Gereformeerde belijdenis in.
't Is de heldentaal van een zoon der scheiding, die zich alle moeite geeft om de Gereformeerde kerken naar den vasten bodem van schrift en belijdenis terug te brengen, maar die tot zijn spijt moet zien, dat een Gereformeerde Synode in 1896 te Middelburg vergaderd, de bezwaarden met ,een kluitje in het riet” stuurt en die in 1905 zulke sophistische besluiten saamstelde, dat men zonder kerkelijk behandeld te worden afwijkende leeringen, die naar 't woord van prof. Lindeboom „een verkeering der leer van Christus” zijn, kan verbreiden.
Hoe durft Ds. Bos dan op grond van Schrift en belijdenis ons 't recht van bestaan ontzeggen wanneer wij zulk „een verkeeren der leer van Christus” niet dulden op de erve van Christus kerk, en daaraan voor geen prijs wenschen deel te hebben om stilzwijgend toe te laten wat noch door Schrift nóch door belijdenis wordt geleerd.

K. (Kampen) S.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1913

De Wekker | 4 Pagina's

Geen recht van bestaan? (VII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1913

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken