Bekijk het origineel

Jezus, de geneesmeester der kranken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Jezus, de geneesmeester der kranken

10 minuten leestijd

„En Jezus antwoordende zeide tot hen: die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn”. Luc. 5:31.

Aanleiding tot het spreken van deze gelijkenis door Christus, vinden we in de naast voorafgaande woorden aangewezen. Schriftgeleerden en farizeën murmureerden, waren zeer ontevreden, en op de vraag waarom, dan zegt ons tekstverband; het was omdat Jezus gemeenschap zocht en onderhield met menschen, die in de schatting van farizeën en schriftgeleerden zulks onwaardig waren. Met die weinige maar zinrijke woorden, spreekt de Heere, zij het dan ook in gelijkenis, een zeer ernstige, en duidelijk verstaanbare waarheid uit.
Met den „Medicijnmeester” bedoelt Christus ongetwijfeld zichzelven. De „gezonden” zijn menschen, die geen bewustheid hebben van hunne ellende. Zij zijn inderdaad gelijk aan menschen, die met een doodelijke kwaal onder de leden, zich toch inbeelden gezond te zijn. En wie zou zoo dwaas zijn, hulp te zoeken bij den arts, als, naar ge meendet, daartoe geen enkele aanleiding of oorzaak voor is aan te geven. Anders is het met hen, die als tollenaren en zondaren zich tot Jezus wenden om door Hem van hun geestelijke krankheden genezen te worden. Aangezeten aan den disch van Levi, die een tollenaar was, waar ook nog zooveel anderen aanzaten, die met levendige belangstelling luisterden naar Jezus woorden, worden hier de menschen onderscheiden en geteekend als „gezonden” en „kranken”.
Daartegenover openbaart zich de Heere, als de eenig ware Zielenarts, die zelfs de ellendigste van alle ellendigen helpen kan en wil. Gelukkig zijn zij te prijzen, die in tegenwoordigheid van zulk éénen zich mogen bevinden. Lichaamssmart en krankheid, kan hoog uitgaan, en wie zou bij uiterste smart er zich niet in verblijden, te mogen hooren: er is een redder gekomen, die middelijker wijs u van al uw smart kan verlossen. Maar hoe hoog dit ook kan uitgaan, geen lichaamskrankheid is nog te vergelijken met de krankheid der ziel. Wat al angst en benauwdheid, wat al bitter lijden kan dit veroorzaken.
De zonde is de oorzaak van alle ellende. Zonde is de oorzaak van alle ziels-, en lichaamskwalen In Adam ons verbondshoofd hebben allen gezondigd. Niemand is als zoodanig rechtvaardig voor God. Waren alle menschen met hun afkomst, en met hun bondbreuk in Adam bekend, verstond ieder, wat we door de zonde geworden zijn, en wat God de Heere zelf van den mensch getuigt, er zou niet één mensch gevonden worden, die zich in eigen schatting gezond, en mitsdien zonder behoefte aan den zielearts Christus, zou durven aanmelden.
Maar helaas! men mag nu wel vragen, wie zijn ze en waar zijn ze, die in oprechtheid voor God belijden, door de zonde melaatsch te zijn van den hoofdschedel tot de voetzool. Uit kracht van opvoeding en onderwijs kunnen velen dit nog wel met hun verstand erkennen en met hun mond belijden, maar omdat dit niet verder en niet dieper gaat, dan hun hoofd, is er geen behoefte aan Christus. Er is geen behoefte aan Hem als aan die groote Godsprofeet, die ons den verborgen raad en wil van God tot onze Verlossing geopenbaard, bekend maakt. Er is geen behoefte aan Hem, die als de geheel eenige Hoogepriester Zijns volks voor hen tusschen treedt bij den Vader, om hun schuld te verzoenen, en met Zijne Borggerechtigheid al hun zonde te bedekken voor het aangezichte Gods. Er is geen behoefte aan Hem, als Koning, om door Hem geregeerd en beschermd te worden. Zal Christus als de Zoon Gods, als de eeuwig gezegende Middelaar en Verlosser u dierbaar en noodzakelijk zijn, als die geheel eenige Zielearts, dan moet ge Hem kennen, als de van God den Vader verordineerde en met den Heiligen Geest gezalfde Middelaar.
Hoe dieper ge dan door Gods Geest wordt ontdekt aan, — en ingeleid in uw jammer- en ellendestaat, — en hoe duidelijker ge daarbij moogt zien, wie en wat Christus is, voor een iegelijk die in Hem gelooft, hoe duidelijker gij ook zult verstaan, het veelbeteekenend onderwijs in die woorden: „die gezond zijn hebben den Medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn.”
Welk een helder licht werpt deze waarheid, op de algemeene openbaring van het menschelijk geslacht, bijzonder over hen, die onder het licht van het evangelie leven. Het is ieder mensch eigen, gelukkig te willen zijn.
Wat wordt daar al voor gedaan, om deelgenoot te zijn of te worden van hetgeen onder de menschen in 't algemeen, voor gelukkig zijn wordt aangezien. Geld, eer, macht, invloed enz. wat wordt er naar gejaagd en om geijverd. Een gezond lichaam te mogen hebben, wie zou het niet een groote schat willen noemen. Er zijn schatrijke menschen, die gaarne, zoo niet geheel, dan toch zeker wel de helft van hun kapitaal zouden willen afstaan, als zij hun krank en zwak lichaam tegen een gezond en sterk lichaam konden inruilen. Maar hoe groot dit een en ander nu ook zijn en schijnen mag, wat baat het den armen mensch, als hij niet gereinigd is van zijne zonde, en niet verzoend is met God! Al zijt ge dan in eigen oog en schatting al voortreffelijker dan vele anderen: die niet wedergeboren is zal hel Koninkrijk Gods niet zien. Er is zelfs niets vreeselijkers te bedenken, dan gemeend te hebben te zullen ingaan, en voor eeuwig buiten gesloten te zullen worden.
Ach die menschen, die er zich zoo aan ergerden, dat Jezus met Levi en met zooveel andere tollenaren en zondaren aanzat, wat verstonden ze weinig van het doel en oogmerk van Christus komst in de wereld. Hij was niet gekomen, gelijk de Heere zelf verklaart, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering.
Waren tollenaars en zondaars slechte menschen in hunne oogen, dan hadden die farizeën, die in eigen oogen zoo rechtvaardig waren, zich moeten verblijden, dat Jezus zich met zulke ongelukkigen inliet, met hen sprak, met hen aanzat en hen leerde. Maar neen, in plaats van zich daarover te verblijden, haatten zij Jezus met een volkomen haat. Zij waren van Hem niet gediend. Zij hadden zulk een Medicijnmeester niet van noode.
Zooveel eeuwen is het al geleden, dat Jezus, in het huis van Levi aangezeten, die veelbeteekenende woorden sprak, en al de eeuwen door, tot op den huldigen dag, zien we de waarheid daarvan op de meest treurige wijze bevestigd. Of moet het niet allertreurigst worden genoemd als de menschen voor tijdelijk geluk alles, en om voor eeuwig gelukkig te zijn niets over hebben!
Er is niets waar in de wereld minder naar gevraagd wordt, dan naar den Zielearts Christus. Niemand onder de menschen heeft zooveel vijanden als Hij. Velen kunnen het niet uitstaan, dat Zijn naam wordt genoemd. Toen Christus als de Zoon Gods in de menschelijke natuur omwandelde op aarde, was Hij het voorwerp van smaad en schande, voor Wien de wereld ten laatste niets meer had dan een kruis!
En ga nu de wereld eens rond. Ga eens op onderzoek uit bij de volken, met het evangelie bedeeld, onder welke al zoolang en zooveel is gearbeid, en vraag dan eens wie met daden betoont, behoefte te kennen en te gevoelen aan Jezus, aan dien eenigen Medicijnmeester, om van zijn ellende verlost te worden. O, wat zal dan bij eerlijk en nauwgezet onderzoek blijken, dat het getal der zoodanigen klein, o zoo klein is.
Zeker, er worden er hier en daar nog gevonden, wat tot roem van Gods ontferming moet erkend worden, die niet slechts door woorden maar ook door daden bewijzen, niet te behooren tot hen, die als „gezonden”, maar wel tot hen, die door Christus in den tekst worden bedoeld met „ziek zijn”. Vraag dezen, waarom zij Christus den grooten Medicijnmeester van noode hebben, en zij zullen antwoorden en zeggen: tot alles. Juist tot al die einden als waartoe Hij van den Vader is gegeven, namelijk: tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en tot eene volkomene verlossing. Die behoefte in het hart gewerkt door den Heiligen Geest, kenmerkt de oprechten als degenen die geleerd hebben wat het zegt: zondaar voor God te zijn. Dezen kunnen zich niet behelpen met allerlei kunstmiddelen van eigengerechtigheid. Zij kunnen zich niet behelpen met valsche troostgronden. Zij zijn niet te voeden met wijsgeerige bespiegelingen, met ijdele fantasiën of iets dergelijks.
Neen, menschen noch engelen kunnen in hunne behoefte voorzien, dat is als het er op aankomt de taal van hun hart: Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Met Jezus in geloofsgemeenschap te mogen aanzitten gelijk een Levi, en omringd te zijn met menschen, van dezelfde belijdenis, met dezelfde behoeften en begeerten, is hun het aangenaamste wat op aarde te bedenken is. Van Levi, later Mattheus genoemd, lezen we, dat hij door Jezus geroepen, alles verlatende, opstond en Hem volgde.
Dat teekent, in onderscheiding van allen, die in eigen schatting „gezond” zijn, ieder die aan zijn doodelijke hartkwaal is ontdekt.
Voor hen, maar ook voor hen alleen, is de openbaring en de prediking van Christus het ééne noodige. Gelijk Hij voor hen de eenige Medicijnmeester is, zoo is Hij ook voor hen het Brood des levens.
Wie en wat zich dan ook bij u aanmeldt met het doel om Christus te verdringen, gij zult door niets u laten bekoren of laten aftrekken. Onder menschen die lichamelijk krank zijn, hoort men nog wel eens, als het onder de behandeling van hun geneesheer niet naar wensch gaat, dat zij nog wel eens met een ander zouden willen beginnen. Vraag dat nu ook eens aan hen, die geestelijk krank zijn, en onder behandeling van den eenigen Zielearts Christus. Vraag het hen eens, als zij in zware aanvechting en beproeving zijn, of ze niet eens wat anders zouden beproeven, en hun geloof verzaken, om in wat anders heil en troost te zoeken, en wat dunkt u, zou het antwoord zijn van de oprechten? Jezus discipelen antwoordden op de vraag, toen velen Hem verlieten en Hem den rug toekeerden: „Wilt gij ook niet weggaan? Heere! tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.” Alles wat uit God is wordt beproefd.
En al Gods werk kan de proef doorstaan. Al schimpt en scheldt en smaalt het ongeloof op dezen oppersten Medicijnmeester; — al keeren de menschen met honderden en duizenden zich van Hem af; — al verkleint het bijgeloof de waarde van Hem, die de eenige en volkomen Zaligmaker van zondaren is, het oprecht geloof houdt zich vast aan Hem, die de Rots der eeuwen is. Onder de macht van het ongeloof, worden de duizendtallen van menschen weerhouden om acht te geven op de groote zaligheid, door het evangelie alom geopenbaard.
Vreeselijk zal het ontwaken zijn voor die allen uit den slaap der zonde, als de dood hen aangrijpt en het voor eeuwig zal te laat zijn.
Het Woord Gods zal niet ledig wederkeeren. Is het geen reuk des levens ten leven, dan zal het een reuk des doods ten doode zijn.
Ieder haaste zich om zijns levens wil.

W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1913

De Wekker | 4 Pagina's

Jezus, de geneesmeester der kranken

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1913

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken