Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geen recht van bestaan?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geen recht van bestaan?

6 minuten leestijd

XV.

Toen de doleantie zich stelde tegenover de kerk der Scheiding, stonden wij niet voor een unicum alsof iets dergelijks nog nimmer had plaats gegrepen. Wie de geschiedenis van de kerk der Scheiding kent, weet wel beter. Dat men toch niet in den jare 1886—92 zich had laten suggereeren door mannen met gevierde titels, maar dat men ten schele had gegaan bij de vaderen, die wel geen Dr. voor hun naam konden schrijven, doch mannen van „stavast”, mannen van beginsel, helden des geloofs waren! Wanneer men naar deze had geluisterd en zich niet had laten biologeeren door allerlei wijsgeerige redeneeringen, dan had men den schijn der geleerdheid wel niet aan zijn zijde gehad, maar de beginselen waren niet verwaterd, de zuivere lijn was bewaard, afscheiding en doleantie had men niet dooreengemengd, maar men had klaar en onomwonden zijn gedragslijn afgeteekend. Dit ware voor de kerk der scheiding zoo gemakkelgk geweest, omdat de weg hoe te handelen haar was aangewezen. Immers wanneer wij de annalen der Chr. Geref. kerk opslaan, dan vinden wij” hoe reeds in 't jaar 1851 de kerk zich duidelijk had uitgesproken. Men had dus niet te raden, te meenen, te gissen, te wikken, te wegen, neen, men had een uitspraak der kerk, die aan duidelijkheid niets te wenschen overliet. In 1851 stond, de Chr. Geref. kerk wezenlijk voor dezelfde kwestie als 1886—92.

De doleerenden spraken in '86 nooit van „afscheiding der Herv. Kerk” — neen, dat niet, want dat zou de kerk der scheiding in 't gevlei komen, en dat moest, koste wat het koste, worden voorkomen. Men sprak slechts over „het breken met de Synodale organisatie” over „afwerping van het juk”, over „aanneming van de Gereformeerde Kerkorde.”

Afscheiding van het Synodaal bestuur: eisch — afscheiding van de Herv. kerk: nooit — dat was het devies der doleantie van '86. Voor eenigen tijd heeft Kuyper in zijn strijd met Ds. van Gheel Gildemeester nog herhaald, dat hij altijd bedoelt de goddelooze synodale organisatie en niet de Herv. kerk als zoodanig.

Zulk een tweeslachtig kerkbegrip hebben de vaderen der Scheiding nimmer gekend. Uit de acte van afscheiding blijkt daghelder, dat zij zich met al dat filosofische geredeneer niet hebben opgehouden, maar naar art. 28—29 der belijdenis zich afscheiden van de Herv. kerk, omdat deze was geworden de valsche kerk. En dat dit hun standpunt gebleven is, blgkt duidelijk uit de discussiën op de Synode van 1851. Daar heeft men het standpunt der doleantie geen andere methode van reformatie genoemd, gelijk tijdens de vereeniging in '92, maar daar heeft men het kort en goed veroordeeld. Bekend is, dat de groep-Brummelkamp in die lang vervlogen dagen stond op precies hetzelfde standpunt als in 86 de mannen der doleantie.

Dat dit feit is, kan niét ontkend worden door ieder, die het verslag der Synode van 1851 heeft gelezen. Zoo vinden wij daar, dat één der afgevaardigden op die Synode de opmerking maakte: „dat Ds. Brummelkamp door het maken van onderscheid tusschen afscheiding van het kerkbestuur en afscheiding van het genootschap zijn standpunt gelijk acht aan dat van onze vaderen in de dagen onmiddellijk aan de jaren 1618—19 voorafgaande, die zich toen niet hebben afgescheiden van de kerk, maar stelden zich op zich zelf, verkozen hunne leeraren, ouderlingen en diakenen, brachten vergaderplaatsen in gereedheid enz.”

En als wij verder lezen in dat Synodeverslag, dan staat er: „Ds. Brummelkamp antwoordde hierop, dat hij dit niet wil tegenspreken.”

Maar nog duidelijker wordt ons het standpunt van de kerk der afscheiding tegenover de doleantie van 1851, wanneer wij letten op haar kerngezonde uitspraak.

Nadat Dr. Brummelkamp verklaard had, dat hij zich nooit van het Herv. Genootschap, maar wel van het onwettig kerkbestuur had afgescheiden en dat hij daarom zich verplicht acht met degenen, die zich nog in dat kerkgenootschap bevinden, samen te moeten werken, ware het mogelijk, om het onwettig kerkbestuur, hetwelk Z.Ew. zeide een dievenbestuur te zijn, dat was ingedrongen, krachteloos te maken en alzoo de Herv. Kerk, ware het mogelijk, te herstellen, zooals dezelve was vóór 1816 — tusschen twee haakjes, had ik geen recht om van de doleantie van '51 te spreken ? — verklaart de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk ten aanzien van het kerkelgk standpunt tegenover dat van Ds. Brummelkamp c.s., dat zij zich overeenkomstig art. 28 onzer Geloofsbelgdenis heeft afgescheiden van de Herv. Kerk, omdat deze de kenmerken van de ware kerk van Christus had verloren.”

„Uit het bovenstaand is het onderscheiden standpunt duidelijk. Wg gelooven door Gods vrije en ontfermende genade overeenkomstig des Heeren Woord 2 Gor. 6:17 in verband met Openbaring 18:4 (daarom gaat uit het midden van hen en scheidt u . af, zegt de Heere, en raakt' niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal u aannemen) verwaardigd te zijn geworden om een kerkgenootschap verlaten, hetwelk het kenmerkende der ware kerk geheel verloren heeft; ofschoon er sommige predikanten in zijn, die betuigen de Gereformeerde leer in al haar stukken en doelen aan te nemen en die trachten de kerk in de kerk te herstellen, welk herstel onzer erachtens even onmogelijk is als in de tijden der Reformatie, omdat de fondamenten van onze Gereformeerde kerk ddar zijn weggenomen.”

En hierop volgt een woord, dat waard is in marmer te worden gebeiteld, waarin wordt geteekend, hoe vast als de rots de vaderen der scheiding stonden in tegenstelling van vele hunner zonen in 1886—92, die aan den wee.rhaan gelijk waren, als wij daar lezen: „Indien wij dit in gemoede voor den Heere niet geloofd hadden, dan hadden wij ons overeenkomstig onze formulieren van eenigheid niet mogen afscheiden en zouden derhalve ons tegenwoordig standpunt moeten verloochenen, hetwelk door ons bij dezen niet mogelijk is, omdat wij van harte gelooven, dat de Heere Jezus, als Koning der kerk, Zijn volk uit een valsche kerk gelieft uit te leiden.”

Wat taal zoo helder, wat standpunt zoo vast. Wat duidelijke aanwijzing dat de afscheiding nooit ofte nimmer heeft willen weten van een Synodale organisatie afgedacht van de Herv. Kerk, dat zij nooit toestemde dat doleantie en scheiding twee methoden van reformatie waren, maar dat zij dit in 1851, gelijk wg het in 1892, hebben genoemd een onderscheiden Standpunt.”

Waarom heeft men die les der historie, neen, waarom heeft men dat standpunt in 1892 verwaarloosd?

Hoe durft men ons Christelijke Gereformeerden toch het recht van bestaan ontzeggen, die dat kerkelijke standpunt van 1851 altijd hebben verdedigd?

Wie heeft hier het recht van bestaan verbeurd: Wij, die wilden dat de uitspraak van 1851 werd gehandhaafd, of zij, die ter wille van de vereeniging dat standpunt hebben prijsgegeven? Want dat dit is geschied, zal geen kenner der historie durven tegenspreken.

(Wordt vervolgd).

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1913

De Wekker | 4 Pagina's

Geen recht van bestaan?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1913

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken