Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geen recht van bestaan? (XVII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geen recht van bestaan? (XVII)

5 minuten leestijd

Een dogmatisch bezwaar — dit noemen wij het eerst, wijl hierin, naar het ons toeschijnt, het zwaartepunt ligt. Dat dogmatisch bezwaar der doleerenden van ’86 betrof toch niet minder dan de levenskwestie, of de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland de wettige openbaring van het lichaam van Christus was ja dan neen! Aangetoond is dat de vaderen der scheiding (denk aan de acte van afscheiding en aan de synode van ’51) in deze overtuiging onwrikbaar vaststonden, dat de Chr. Geref. Kerk haar recht van bestaan naar art. 27—28 onzer confessie kon handhaven.
Dit nu was het eerste, waaraan de doleerenden in 1388, toen er een uitspraak der Synode over de wijze van vereeniging was gedaan, begonnen te tornen. Naar mijn bescheiden meening heeft men tot zelfs in onzen kring hierop veel te weinig de aandacht gevestigd. Niet in ’91 en ’92 maar in 1888 stond de Christ. Geref. Kerk voor het alles beslissend keerpunt; en dat niet zoozeer om de besluiten toen genomen, als veelmeer om ’t antwoord, dat de doleerenden naar aanleiding van die besluiten gaven. Dat antwoord is teekenend, had voor de Chr. Geref. Kerk beslissend moeten zijn, om, wanneer men bij dit antwoord bleef, onvoorwaardelijk elke onderhandeling met de doleerenden af te breken. De eerste stap op den verkeerden weg is geweest, dat men trots dat antwoord van den leider der doleantie in de Heraut van 1888 opgenomen, nochtans voortging om onderhandelingen met de doleerenden te voeren.
Wat toch meldt ons het blad der historie ?
In ’t jaar 1888 was de Synode der Christ. Geref. Kerk te Assen vergaderd. Daar waren de mannen vertegenwoordigd, die in heilige ure beloofd hadden hun ambt getrouwelijk naar eisch van Gods Woord en de Gereformeerde belijdenis te behartigen; die het heil voor Sion en bijzonder dat voor de Chr. Geref. Kerk hadden te zoeken. En waarlijk, zij schenen hun hoogheilige roeping te beseffen, toen de ure sloeg, dat hun aandacht werd gevraagd voor de vereeniging van de Christ. Geref. Kerk met de kerken in doleantie. Zij gevoelden eenerzijds, dat zij geroepen waren pogingen ter vereeniging aan te wenden, maar ook anderzijds, hoe zij ’t beginsel van de kerk der afscheiding onverzwakt hadden te handhaven. De Synode van 1851 was nog niet uit het geheugen en haar voetspoor volgende, stelde men den doleerenden de voorwaarden, waarop de vereeniging kon getroffen worden. Men stak dus goed van wal, begon met zelf het roer te grijpen en men stond op den uitkijk, opdat het scheepje der kerk niet zou ten ondergaan. Hoe jammer, dat men spoedig stuurman af werd, dat de blik beneveld begon te worden, dat men eindelijk man na man, prof. Lindeboom stond nog het langst van allen op de commandobrug te schreeuwen — overstapten op ’t scheepje met een doorkundig stuurman aan het roer en met de vlag in top, waarin het motto was gestikt: „doleantie—nooit scheiding”. Gelukkig had de Koning der Kerk nog een klein overblijfsel op dat ontvolkt scheepje achtergelaten, dat op heden trots smaad en schimp en stormgeloei nog zeilt, door hooger hand bestuurd, en dat in zijn vlag heeft geborduurd: „Schrift, Confessie, Scheiding,” Maar in 1888 liet men zict toch niet aanstonds het roer afhandig maken, en de Synode der Chr. Geref. Kerk stelde als voorwaarden:
„Overwegende, dat de Ned. Geref. kerken in belijdenis, kerkenordening en liturgie volkomen met ons overeenstemmen, zijn we tot vereeniging met deze kerken ten volle bereid, wanneer zij, wat dit eerste punt van behandeling betreft, slechts het navolgende verklaren:
1°. Dat zij (de Doleerenden) in gehoorzaamheid aan ’s Heeren Woord en in overeenstemming met art. 27—29 onzer belijdenis, met het Ned. Herv. Kerkgenootschap, zooals het sedert 1816 met zijn organisatie, besturen en reglementen bestaat, volkomen gebroken hebben.
2°. Dat zij de afscheiding van gemeld genootschap, zooals ze in 1834 plaats had, erkennen als geschied te zijn in gehoorzaamheid aan en in overeenstemming me Gods Woord en daarmede ook de plaatselijke gemeenten der Chr. Geref. Kerk als wettige openbaring van het lichaam Christi,” (Ik cursiveer),
Ik haal verder niet meer aan. ’t Is ons hier maar te doen om te toonen het zuivere standpunt van de kerk der afscheiding, dat ook hier nog in uitkwam, dat de Synode verklaarde door het Nederl. Herv. Kerkgenootschap in de voorwaarden genoemd niet te verstaan, gelijk de doleerenden, het net, dat over de kerk is geworpen.
De beginselen in 1851 gesteld bleven dus nog in 1888 bewaard. Maar reeds op de Synode te Kampen in ’89 werden die beginselen verzwakt, op de Synode te Leeuwarden in ’91 totaal genegeerd en op de Synode te Amsterdam in ’92 had niemand den moed meer om over 1851 en ’88 een woord te reppen! Hoe kwam dat? Om de eenvoudige reden, dat Dr. Kuyper zijn „anathema” had uitgesproken over de besluiten van Assen en wanneer Z.H.Gl. den mond opende, wie durfde hem dan nog tegenspreken? Schreef men niet van hem „hij is gewoon voor schier allen te denken en allen het spoor aan te wijzen”. Was ’t wachtwoord van velen in die dagen niet: „Roma locuta-res judicata” ? ’t Welk hier wil zeggen: „ Kuyper heeft het gezegd en de zaak is beslist”.
Welnu, wat schreef deze Pythagoras der 20e eeuw van de Assensche besluiten? Gaarne zou ik dit den aandachtigen lezer nu reeds voorleggen, alleen plaatsruimte belet mij dit. Het antwoord is voor ons van groote historisch-dogmatische beteekenis en om het kerkelijk standpunt, nog in 1888 te Assen gehandhaafd, te leeren kennen, eenig te noemen. En voor het overige — de lezer beantwoorde de vraag, wie het recht van bestaan aan zijn zijde heeft. Wij, die tot op den dag van heden het kerkelijk standpunt in 1851 en 1888 ingenomen blijven handhaven, of zij, die dit standpunt hebben prijsgegeven ter wille van de doleantie.

K. (Kampen) S.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1913

De Wekker | 4 Pagina's

Geen recht van bestaan? (XVII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1913

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken