Bekijk het origineel

Een aandachtwaardige kroon

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een aandachtwaardige kroon

10 minuten leestijd

„Gij kroont het jaar uwer goedheid.” Psalm 65:12a.

Men heeft den 65sten psalm wel,eens den oogstpsalm genoemd, omdat daar zooveel in voorkomt, wat op den oogst betrekking heeft. Het is een lofzang van David, die de geestelijke zegeningen van Zijnen God bezingt en daarbij tevens de zegenende hand des Heeren opmerkt in tijdelijke zegeningen, van God geschonken. De Heere regeert. Zijne Voorzienigheid gaat over alles. Al Zijne werken prijzen Hem. De hemelen vertellen Zijne eer en het uitspansel verkondigt Zijner handenwerk. Het is de Heere, die het land bevochtigt. Gods zorg gaat over alles, „Gij mijn God zijt het,” wil de godvruchtige dichter zeggen, “die het jaar uwer goedheid, als het jaar, dat van uwe goedheid getuigt, kroont.
Augustus, de oogstmaand is voorbij. Er is geoogst, en er is nog meer in te zamelen, en met het oog op hetgeen er groeit en hetgeen gewassen en geoogst is, kunnen we zeggen op de vraag wat is dat? het is een kroon, waarmede de Heere het land heeft gekroond. Een kroon, door menschenhanden gemaakt, kan schoon zijn en de aandacht trekken, maar wat is in dit opzicht de schoonste van alle kroonen, bij een Kroon door God gemaakt, vergeleken. Al wat direct van Goddelijken oorsprong is, laat geen vergelijking toe. Dat is eenig in oorsprong niet alleen, maar ook in wezen, en in waarde. De heerlijkheid daarvan overtreft alles. De vraag is maar: wie heeft er oogen voor? Een blinde kan niet zien en niet onderscheiden.
De menschen zien het land en wat er op groeit. Men hoort dan allicht hoe er over één en ander wordt gedacht: en rijke oogst, middelmatig, of schraal, maar o zoo zelden hoort men, wat we hier in dezen psalm van den door Gods Geest verlichten en onderwezen koning David hooren, dat Hij Gód aanspreekt en zegt: „Gij kroont het jaar uwer goedheid.”
Een rijk gezegend jaar, een volle oogst! Wie zou het niet wenschen, maar als het eens wat minder is, ontbreekt dan nog de kroon, hier bedoelt? Als God de Heere geen regen en zonneschijn gaf; — als het land zijn vruchtbaarheid werd ontnomen; — als onze veestapel werd aangetast en wegstierf, zouden menschelijk vernuft, kunst of wetenschap dat kunnen afwenden? Immers, neen. Niet van menschen, maar van den Vader der lichten, dalen alle goede gaven af. Het gras, dat uit de aarde spruit, het koren, dat op onze velden en akkers groeit, met dat alles, wat de oogst des velds uitmaakt, het roept ons luide toe, dat de Heere het jaar zijner goedheid kroont, of, gelijk de Engelsche overzetting te lezen geeft: „Gij kroont het jaar met uwe goedheid.” Wat al heerlijkheid des Heeren doet dit alles aanschouwen, als onze aandacht er op gevestigd is en we zoowel in het kleine als in het groote de hand des Heeren zien! Hoe wonderbaar wordt al dat voedsel, tot onderhoud van menschen en beesten vereischt, door God bereid. Wat is niet menigmaal gebleken als God den staf des broods wil breken, onze runderkudden wil verderven en om der zonden wil een land en een volk wil slaan, dat Hij maar te spreken heeft en het is er. En wie zal dan Zijne hand afwenden of tot Hem zeggen: Wat doet Gij? Als ge dan wandelt in het veld, als ge u beweegt tusschen het ruischend koren op de akkers, of dat ge uwe oogen laat gaan over de grazende runderkudden, dan ziet ge het jaar van Gods goedheid gekroond. Gekroond met Zijne goedertierenheden en gunstbewijzen, gekroond met de bewijzen Zijner liefde en grootheid. Wat dan anderen niet zien, noch opmerken, wat anderen achteloos voorbijgaan, dat doet bij oogenblikken Gods kinderen een David nazeggen: „Heere!” Gij kroont, en doet ons uw gunst aanschouwen.
Dat alles is Gods werk, dat is des Heeren Goddelijke kracht en Voorzienigheid, door ons menschen, als zondaren, ten eenenmale verbeurd; om der zonden wil is de aarde vervloekt. Naar het rechtvaardig oordeel Gods, in het paradijs al uitgesproken, brengt zij doornen en distelen voort, maar zooveel inmengselen van Gods goedertierenheid zijn daar nu nog bij op te merken. Ook die werken Gods in de natuur, ook die tijdelijke zegeningen roepen ons tot erkentenis van Gods weldadigheden. Trekken de zichtbare dingen ons niet aan, hoe zullen dan de onzichtbare aantrekken en bekoren. Of het tijdelijke of geestelijke zegeningen geldt, zoowel in het ééne als in het andere openbaart zich het werk Gods.
Ook al woont ge hoog en droog in het midden eener groote stad, waar ge van al de bedrijvigheid van den oogst op het land niets ziet, maar dan leest ge toch in uw bijbel ook den oogstpsalm. En als ge dan daarin ook deze woorden leest: „Gij kroont het jaar uwer goedheid” en ge gaat daarover, eens nadenken, heeft u dat dan bij het gebruik van Gods gaven nooit in stilte doen peinzen over de vraag: waar komt dat brood, waar komen al die spijzen vandaan, welke de Heere ons genadiglijk geeft te genieten? Dan weet ge immers, dat het de Heere is, die het brood uit de aarde doet voortkomen en dat alle goede gaven, ook in de natuur, afdalen van den Vader der lichten. En als ge dan leest en hoort hoe in andere oorden hongersnood is en schaarschte van brood, omdat de oogst des velds verloren ging; of van andere oorden, waar door den oorlog, door de hoeven der paarden alle gewas vertreden werd, om van nog andere bezoekingen maar niet te spreken, zie, dan wordt het nog al grooter, de aandacht te vestigen op die kroon, waar de Heere het land en het jaar mee kroont. Aard-, en boomvrucht, melk en boter, met zoo onoverzienbare vele weldaden, welke de man naar Gods harte stof gaven om te zingen van de goedertierenheden des Heeren, Die weldaden staan niet op zichzelven, neen zij staan in nauw verband met andere, met nog grooter gunstbewijzen van onzen God.
Er gaat aan dezen psalm wat vooraf. De man Gods getuigt: „ongerechtigheden hadden de overhand over mij, maar onze overtredingen, die verzoent Gij.” Deel in de uitnemende schat der gezondheid, geniet het vette der aarde, en wees in dit opzicht gezegend boven duizenden, maar als daarbij de geestelijke zegeningen worden gemist, dan is al uw genot slechts voor den tijd. De mensch heeft meer, heeft grooter behoeften dan alleen voor dit tijdelijk leven. Maar Hij, die het mindere geeft, wil ook het meerdere niet onthouden. Het ééne staat met het andere in zulk een nauw verband. Was er geen vergeving van zonde en geen Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus, dan zou in zoovele opzichten het jaar door God gekroond kunnen zijn, maar dat daarbij voor ons, zondaren, het voornaamste ontbrak. Nu mogen we echter bidden niet alleen om dagelijksch brood, maar ook om vergeving van al onze schuld, bij God gemaakt.
Druipen dan Gods voetstappen van vettigheid, bedruipen zij de weiden der woestijn en zijn de heuvelen aangegord met verheuging, terwijl de velden met kudden bedekt zijn, — zeker, dan wijst ons dit alles er op hoe de Heere het jaar zijner goedheid kroont. Maar opgeleid door het zichtbare tot het onzichtbare en door de gaven tot den Gever, zeggen we den vromen dichter zoo gaarne na: „de lofzang is in stilheid tot U o God in Sion.” Ziende op zooveel miskenning van God, van Gods regeering, van Gods macht en goedheid en gedachtig aan eigen schuld en zonde, kan het zien van de wijze, waarop de Heere het jaar Zijner goedheid kroont, zoozeer verootmoedigen. Zelfs al moest ge bij en onder dit alles van tijd tot tijd uit den beker des tijdens drinken. Het gaat dan den zoodanige nog wel eens gelijk een hond, die door zijn Meester geslagen, toch aan diens voeten in het stof kruipt. Neen, dan durft die hond niet weg van zijn meester, maar, door dezen gekastijd, kruipt hij bevend van angst toch dichter naar zijn meester toe. Dat teekent de trouw van den hond en het ontzag voor zijn meester.
Het oprecht geloof leert Gods goedheid en liefde zien, zoowel in tegenspoed als in voorspoed. Dat deed een van Gods heiligen in de oudheid getuigen: „Het is mij goed verdrukt geweest te zijn.”
Als ons leven Gode mag gewijd zijn, en we mogen er met alle kracht naar staan om onze krachten te besteden in den dienst van God, dan zult gij, hoe het u ook overigens mag gaan, kunnen getuigen, dat elk jaar levens, u geschonken, met Gods goedheid is gekroond. Ons is maar noodig verlichting door den Heiligen Geest.
De natuurlijke mensch ziet God niet in Zijn werken. Al prediken de hemelen nog zoo luide Gods eer en al verkondigt het uitspansel Gods handenwerk, toch wordt die sprake Gods maar door zoo weinigen verslaan. Een kroon van goud, door menschenhanden gemaakt, bekoort en trekt aan, maar kroonen door God gemaakt, van zooveel verhevener aard, kunnen alleen door het geloof worden gezien en gekend. Vandaar, dat zooveel menschen aan het schepsel toekennen, waar alleen God de eer van toekomt. God in Zijn werk te zien stemt tot aanbidding en dankzegging. Dat gaat altijd gepaart met meer of mindere bewustheid van eigen onwaardigheid.
Bij de vraag immers, waarom de Heere nog met Zijne goedheid kroont, kan de oprechte niet anders dan erkennen, dan dat het is om het eeuwig welbehagen. Dat is vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog. Dat is alles en alleen om Christus wil, die de verdienende oorzaak is van alle tijdelijke en geestelijke zegeningen. Tegenover een wereld, die in ‘t boóze ligt, — tegenover o zooveel hemeltergende zonden, — tegenover de snoodste miskenning van den Schepper door Zijne schepselen, kroont God de Heere het jaar nog met Zijne goedheid. Welk een ondoorgrondelijke liefde én ontferming, die al Gods oprechte volk met een David zeggen en erkennen doet: „onze overtredingen, die verzoent Gij.” “Wat zou het zijn, als God ons alles eens ontnam, waarmede de Heere ons nu nog kroont!
Er is nu nog een overvloed van zegeningen. Er is nu nog rijke stof tot dankerkentenis. Maar dan zou er alom gezucht en geweend worden. Als de fiolen van Gods gramschap over een land en een volk worden uitgegoten, dan worden de feesten in rouw veranderd en onze liederen in rouwklagen. Werd het daarom nog maar gezien en opgemerkt, en dat de goedertierenheden des Heeren nog tot bekeering mochten leiden. Want eenmaal komt aan Gods langmoedigheid een einde. Door tijdelijke en door geestelijke zegeningen roept de Heere nog, als die God, die geen lust heeft in den dood der goddeloozen, maar daarin, dat zij zich bekeeren en leven.
Kroont God de Heere nu nog het jaar Zijner goedheid, vergeten we het niet, voor den onbekeerlijken mensch zal eens de tijd van Gods gramschap aanbreken.
Nu, in ‘t heden der genade, komt de roepstem des Almachtigen nog tot allen, die onder bet evangelie leven, door den mond van ‘s Heeren knechten, die roepen: „Wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.”

W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1913

De Wekker | 4 Pagina's

Een aandachtwaardige kroon

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1913

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken