Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geen recht van bestaan? (XXII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geen recht van bestaan? (XXII)

6 minuten leestijd

Tal van zaken, die ’t zij direct 't zij indirekt met de vereeniging van 92 saamhingen, zouden nog kunnen besproken worden. Ik denk bijv. aan ’t Reglement van 69. Ik zou niet gaarne met de Dordsche Kerkorde in de hand er een pleidooi voor voeren. Maar de wijze waarop de doleerenden dezen steen des aanstoots hebben vergroot, was toch wel wat al te belachelijk. Dat reglement zou de collegialistische vlag hoog in top hijschen, zou oorzaak zijn, dat de Christ-Geref. Kerk haar continuïteit had verloren, zoodat deze kerk zich niet als de wettige voortzetting der aloude Gereformeerde Kerk in ons vaderland mocht openbaren, in ’t kort: dit reglement was het struikelblok, waardoor de doleerenden in hun conscientie werden bezwaard om met de Christ. Geref. Kerk te vereenigen. Zoo schrijft Kuyper toch in „Separatie en doleantie” uitgegeven in 1890.” Is toch de mensche wil, waaruit de wilsdaad der kerkformatie voortkomt, door niets gebonden, maar Pelagiaansch vrij, dan is er geen enkele reden denkbaar, waarom niet allerwegen instituut naast instituut zou geplaatst worden. Maar zoo is het op Gereformeerd terrein niet. Voor ons is de wil, waaruit de Kerkstichting geboren wordt niet vrij, maar gebonden aan Gods Woord; en overmits dit Woord de gemeenschap der heiligen eischt, mag zeker aantal nieuwe belijders, die òf van elders kwamen, òf nieuw bekeerd werden, niet tot nieuwe kerkstichting overgaan zoo er in die stad of dat dorp reeds een geïnstitueerde kerk bestaat, maar zijn ze gehouden zich daarbij aan te sluiten. Niet dit springt in ’t oog alsof eenige uitwendige macht hen daartoe dwingen kon, noch als de geïnstitueerde kerk dier plaats formeel eenig recht op hen kon doen gelden; immers recht op hen kan die kerk eerst door stipulatiën ontvangen: maar in dien zin, dat ze van Godswege hiertoe gehouden zijn en zijn recht schenden, zoo ze anders handelen.
Dit is goed gezegd en had men naar deze uitspraak gehandeld, dan hadden de doleerenden zich onverwijld bij de geïnstitueerde Christ. Geref. Kerk ’t zij te Leiden, in Amsterdam of elders moeten aansluiten en was hiermede de geheele doleantie veroordeeld. Dat begreep een helder hoofd als dat van Dr. Kuyper beter dan iemand en daarom laat hij onmiddellijk op deze veelzeggende uitspraak volgen: hierbij echter is natuurlijk verondersteld , dat de geïnstitueerde kerk dier plaats goed geïnstitueerd zij en niets in haar stipulatiën hebbe, waartegen de aankomende of nieuwe bekeerde in zijn conscientie voor God bezwaar gevoele. Want is dit het geval. dan wordt hij juist van Godswege in zijn conscientie van die toetreding afgehouden.”
In deze woorden werd al weder de Christ. Geref. Kerk een duw gegeven. Vergeet dan niet dat nà het besluit der Synode van Assen eerst haar geestelijke rechten werden aangetast en de Christ Geref. Kerk niet als de eenig wettige openbaring van het Lichaam Christi werd erkend en toen haar eenmaal die doodsteek was toegebracht, toen volgde nog een por en werd er beweerd, dat haar kerkrechterlijke verhoudingen niet deugden. Hare kerkrechterlijke basis, haar instituut was zoo slecht, dat de aankomenden met name de doleerden van Godswege in hun conscientie Werden afgehouden om met zulk een slecht geïnstitueerde kerk te vereenigen.
Hoe is het toch mogelijk, dat velen in die dagen zich zelf zoo konden vergeten, dat men niet begreep òf niet wilde begrijpen, dat alzoo de Christ. Geref. Kerk èn naar haar geestelijke èn naar haar kerkrechterlijke zijde eenvoudig werd afgemaakt. Waarlijk men had beter op zijn wachttoren moeten staan dan alzoo de Christ. Geref. Kerk te laten trappen wat voor het forum van Gods Woord en de Gereformeerde belijdenis en een gedenkwaardig verleden niet te verdedigen is.
Hoe? Zou het reglement van 69 dan zóó groot kwaad zijn, dat het den doleerenden van Godswege uitdrukkelijk verboden was om te vereenigen? Wanneer het niet zulk een heilige ernstige zaak gold — waarlijk, dan zouden wij geneigd zijn er eens om te lachen en verder het zwijgen er aan toedoen, Eilieve, waar zit dan toch het kwade, het zondige, het Godonteerende in dit reglement? Ik beweer niet, dat het volmaakt is: maar dat is toch stellig de Dordsche Kerkorde ook niet! Ik wil ook niet beweeren, dat wij dit reglement niet kunnen missen. Ik zou er zelfs geen bezwaar tegen hebben om dit reglement op te heffen maar alleen onder deze voorwaarde, dat wij er een andere goede rechtsbasis voor in de plaats krijgen. Doch dit laak ik en moet in de doleerenden ten strengste worden afgekeurd, dat men beweerde van Godswege geroepen te zijn niet te mogen vereenigen met de Christ. Geref. Kerk omdat het reglement van 69 bestond. Dat noem ik spelen met Gods heiligen Naam. Hoe durft men zoo iets zeggen, waar schier ieder wel weet, dat dit reglement niet onze classicale en synodale vergaderingen beheerscht, gelijk de reglementen in de Herv. Kerk, maar dat het slechts een kennisgeving aan de Overheid was om te voldoen aan de wet van 1853.
Neen de schoen wrong ergens anders. Heel de toeleg der doleerenden was om de Christ. Geref. Kerk te blameeren, te miskennen, te vernietigen en nu moest zij èn naar haar geestelijke èn naar haar kerkrechterlijke zijde het ontgelden. Daarom en daarom alleen werd er een breuk ook in haar kerkrechterlijke verhoudingen gebracht en werd het bezwaar tegen het reglement van 69 zoo aangedikt.
Had Kuyper e.d. bezwaar tegen dat reglement zoo zelfs, dat hierom de vereeniging zou afspringen — wij hadden nog veel grooter en veel gemotiveerder bezwaren om met de doleerenden, zoolang zij op hun standpunt hieven staan, te vereenigen.
Het regement van 69 raakt dan toch de belijdenis der Kerk nog niet. Wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen en dan gaat de belijdenis voor.
En wanneer dan in genoemd geschrift van Dr. Kuyper „separatie en doleantie” (pag. 14) wordt gezegd: „Onze kerken doopen niet, als konden zij door den doop iemand wederbaren maar in de onderstelling dat de doopeling vooraf wedergeboren is. Waar men dit niet onderstelt mag niet gedoopt worden. Elke doopeling, ook het kleinste kind, wordt dus niet gedoopt om hem daardoor eerst in het Lichaam van Christus in te lijven, maar als zijnde een lidmaat van Christus d. w. z. als zijnde lid van zijn mystiek geestelijk Lichaam” dan waag ik of wij niet met veel meer recht dan Kuyper in betrekking tot het reglement van 69 mogen zeggen, dat wij juist van Godswege door onze belijdenis en mitsdien in onze conscientie afgehouden werden om te vereenigen met hen, die zulke afwijkende gevoelens de kerk wilden binnendragen.
En nu wensch ik nog een laatste woord te schrijven over het collegialistisch karakter, dat de vereeniging van 92 kenmerkt. Wanneer het maar profijt afwerpt is men in die kringen voor een beetje collegialisme niet zoo bang!

K. (Kampen) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1913

De Wekker | 6 Pagina's

Geen recht van bestaan? (XXII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1913

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken