Bekijk het origineel

De aangevallene door Jezus beschermd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De aangevallene door Jezus beschermd

10 minuten leestijd

„Jezus dan zeide: laat af van haar, zij heeft dit bewaard tegen den dag mijner begrafenis. Want de armen hebt gij altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd.” Joh. 12 : 7

Het was een treffende gebeurtenis, welke zoo kort voor het Paaschfeest te Bethanië plaats had, waar Jezus door Maria werd gezalfd.
Volgens Mattheus is dit geschied ten huize van Simon den melaatsche, waarbij we dan aannemen, dat dit niet aan twee zalvingen denken doet, maar dat de berichten der evangelisten, hierin overeenslemmen, dat we aan één en dezelfde gebeurtenis hebben te denken. Had de Heere in Bethanië, bijzonder in het gezin van Maria, Martha en Lazarus, meermalen een aangename rust en verblijfplaats gevonden, thans ontvangen de vrienden en vriendinnen des Heeren nog een laatste bezoek. De gasten overziende, welke thans aan den avonddisch zijn aangezeten, trekt de één al meer de aandacht dan den ander.
Simon den melaatscbe, zoo genaamd omdat hij van zijne melaatsbeid gereinigd was, is een toonbeeld van Jezus liefde en macht. Lazarus, die uit de dooden is opgewekt, wie zou hem, hieraan gedachtig, niet met bewondering hebben aangezien. Maria en Martha, wat zijn het voorbeeldige discipelinnen des Heeren. Wat hebben zij Jezus innig en hartelijk lief. De twaalven, wat al verscheidenheid van gaven en karakters, doen zij ons aanschouwen. Die Judas Iscarioth, hoe leeren we hem hier kennen, als een vreeselijk mensch, voor wien de tijd is aangebroken, dat het masker, waaronder hij zich steeds verborg zal worden afgerukt.
Hoofdpersoon van geheel het gezelschap is Jezus, Al de anderen, waarin en waardoor ook onderscheiden zijn menschen, maar Hij is de Heere, die in nederige dienstknechts gestalte zijn loop volbrengt, maar die desniettegenstaande, tot zelfs in dit zoo zeldzame gezelschap, de bewijzen zal leveren, dat waar Hij is, daar is meer dan Mozes en Elia, meer dan alle de profeten.
Aller aandacht wordt in dit gezelschap op een oogenbiik gevestigd, op hetgeen daar door Maria wordt verricht. Deze nam een albasten flesch met zeer kostbare zalf, goot die uit op het hoofd van Jezus, zoo mild en zoo overvloedig, dat ook zelfs de voeten des Heeren daarmee werden gezalfd, terwijl Maria die afdroogde met de haren van haar hoofd. Op een oogenbiik was het huis vervuld met den aangenamen geur van deze zeer kostbare zalf. Deze handeling van Maria wekte geweldige ergernis bij Judas Iskarioth, de man die de beurs droeg en als penningmeester onder Jezus discipelen fungeerde. De daad van Maria is voor hem als een lont, die in het buskruit wordt gestoken, waarop een geweldige ontplolfing volgt. Zijn gelaats trekken , geheel de houding van zijn persoon, teekent de grimmigheid van zijn gemoed. „Waarom”, zoo zegt hij, „waarom is deze zalf niet verkocht voor drie honderd penningen en den armen gegeven?” Wat een liefde en bezorgdheid voor de armen bij die Judas! Zoo het scheen althans. Maar schijn bedriegt. Dit zeggen dient slechts gelijk een schapenvacht, waarmede men de gedaante van een leeuw tracht te bedekken.
We lezen dan ook in de gewijde historie, dat Judas dat niet zeide „omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd.” Wat Maria deed, was een daad van reine liefde, waartoe zij zich door een onweerstaanbare innerlijke drang zag genoopt. Wat moet het die godvruchtige en teedere Maria hard gevallen zijn, zooals door een wolf te worden aangevallen. Wat heeft dit haar hart geschokt en gesmart. Neen, die Maria was geen verkwister, zij was niet blind noch ongevoelig voor de behoefte der armen, maar Jezus was haar boven allen dierbaar. En daar staat ze nu als een weerloos schaap, tegenover een man als Judas, wiens woord zooveel invloed had, dat hij aanvankelijk als een stroom anderen scheen te winnen voor zijn gevoelen. Maar gelukkig, Eén is er, die de bedoelingen van Maria kent en doorgrondt. Eén is er hier tegenwoordig, die haar genoeg is om haar in bescherming te nemen, en haar liefdedaad te verdedigen. Jezus dan zeide; „Laat af van haar”. Houd op met zoo te oordeelen. Zij heeft een goed werk gedaan. Zij heeft dit bewaard, gelijk Mattheus meldt, tot een voorbereiding voor mijne begrafenis. Is men gewoon de dooden te zalven, welnu Ik ben ten doode gewijd. De armen hebt gij allijd met u maar mij hebt gij niet altijd. En in plaats van Maria’s daad af te keuren, wordt Maria niet alleen door Jezus in bescherming genomen, tegenover den boozen aanval van Judas, maar voegt de Heere daar nog deze veelbeteekenende woorden aan toe: „Voorwaar zeg ik u: alwaar dit evangelie gepredikt zal worden, in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden, van hetgeen zij gedaan heeft.” Voor menschen van naam richt men standbeelden op, maar nooit heeft een van de vorsten of grooten der aarde een eerezuil gehad, gelijk Maria er hier één van haar Heere en Heiland ontving.
Daarmede waren de andere discipelen, terecht gewezen, de mond van Judas was gestopt, en zijn optreden geheel afgekeurd en veroordeeld, terwijl het Maria als balsem was in een schrijnende wonde. Had Maria door haar daad openlijk uitgesproken wie en wat Jezus voor haar was, de Heere spreekt wederkeerig op de meest ondubbelzinnige wijze uit, hoe Hij Maria erkent als één van Zijne schapen, die Hij zoo innig en hartelijk lief heeft. En wie Judas Iskarioth is, zal spoedig nader openbaar worden. Hij is van nu aan op wraakneming bedacht, en eerst dan zal hij zijn doel hebben bereikt als hij den Zoon des menschen zal verraden hebben met een kus. Vreeselijk is het als de huichelaar ontdekt, de verrader aan het licht komt, maar vreeselijk ook het einde der zoodanigen, van wie het goed ware, indien zij niet geboren waren geweest.
Maria is intusschen de eenige niet gebleven, die onschuldig is aangevallen, aan de kaak gesteld, veroordeeld, en op de meest hooghartige wijze, zoo diep, als met een dolk gestoken is. Zoo onbescbrijfelijk veel kan in het dorre hart van de Judassen omgaan, dat, zoodra het van buiten openbaar wordt, velen doet opschrikken en verbaasd staan.
Zoo velen ook, hebben als Maria moeten doorleven oogenblikken en toestanden, die men van zeer nabij moet kennen, om althans eenigszins het pijnlijke er van te gevoelen. Men denke maar eens aan hetgeen er tusschen man en vrouw, tusschen ouders en kinderen kan plaats hebben, als de liefde Gods in het hart uitgestort, aan de ééne, en de haat en vijandschap tegen God en Zijnen Gezalfde anderzijds met elkander in botsing komen. We hebben jonge menschen gekend, meer dan één, in wier hart de Heere krachtdadig werkte, en die door eigen vader of moeder, hierom op alledei wijze gekweld en gefolterd werden. Men zag dit dan maar aan voor geestdrijverij, zwaarmoedigheid, om niet nog erger te noemen. De meest aandoenlijke voorbeelden hebben we daar in ons leven van bijgewoond. Maar ook, zoo voegen we er als in eenen adem aan toe: ook de meest heerlijke uitkomsten.
Voor korter of langer tijd kan dat onder Gods toelating wel veel strijd en lijden veroorzaken, maar altijd zal voor de oprechten blijken, dat de Heere, die Maria in bescherming nam, al de Zijnen kent en gadeslaat. Op Zijn tijd redt de Heere Zijn arme schapen, die zoo geweldig kunnen aangevallen en vervolgd worden. Hoe nietig en gering was die arme monnik Maarten Luther, toen hij op den Rijksdag te Worms, voor al die vorsten en hoogwaardigheidsbekleeders moest verschijnen. Hoe velen zagen hem met grimmige oogen aan, gelijk Judas Maria aanzag. Maar met welk een kracht en genade werd Luther ondersteund, en hoe verpletterend was zijne verantwoording, toen hij daar zwoer, bij Hem die eeuwig leeft, en zeide: „Ik kan niet anders. God helpe mij!” Een eenvoudig burgermeisje van welgestelde ouders, die tot de Herv. kerk behoorden, kwam eens bij ons invluchten, weenend en snikkend, vanwege de vreeselijke woorden en bedreigingen van haar eigen vader, omdat zijn dochter zoo „fijn” was, en nu zelf al naar de „fijne” kerk liep, Haar vader ging Zondags geregeld naar de societeit. De dochter was reeds 28 jaar oud. We kunnen het geheele verloop dezer zaak hier niet verhalen, maar willen als één voorbeeld uit velen, er slechts dit nog van zeggen, dat enkele maanden daarna die dochter doodelijk krank werd. Tweemaal hebben we dit meisje in haar ziekte, met levensgevaar bedreigd, bezocht. Zij roemde door het geloof in haar Heere en Zaligmaker en stierf kort daarop. En toen we aan haar graf stonden, waar niemand ons weeren kan, en God dankten voor de genade aan dat kind verheerlijkt, kon toch ook die vader zijn tranen niet verbergen. Het was of de overtuiging in het hart van dien harden vader was gerijpt, dat zijn kind een Maria’s hart had omgedragen. Jezus leeft. Hij leeft als de Beschermer van allen die om Zijns naams wil worden verdrukt en vervolgd. En zalig zij, die Hem kennen en eeren als hun Ontfermer, die steeds tot hunne hulp gereed is. Er is o zooveel verborgen leed in de wereld. God alleen is het bekend, wat om der waarheid, wat om Christus wil, nog steeds geleden wordt. Al leven we in geen tijd van openbare geloofsvervolging, toch blijft het waar: al wat niet vóór is, dat is tegen.
Wel is de tegenstand en vervolging niet altijd even hevig, maar toch meer nog dan algemeen vermoed wordt, vindt men hier en daar van die Mariagestalten, waar de Satan op gebeten is. Trouwens hoe vrijmoediger iemand optreedt in het belijden van Christus, hoe meer vijandschap en tegenstand zoo iemand ontmoeten zal. Haat en vijandschap van de wereld is dan in den regel het ergste niet, maar als men het gelijk Maria van de zijde krijgt van menschen, die discipelen van Jezus heeten te zijn.
Het voorbeeld van Judas is één uit duizend, van menschen die schijnen te zijn, wat ze niet zijn. Judas begon dan ook niet met te zeggen, dat hij in zijn hart geen vriend van Jezus was, o neen, hij meende het, met zijn volgen van Jezus zoo goed als Petrus en Johannes, naar het scheen allhans, maar hij had de armen zoo lief. ‘t Was of de man leefde voor de armen.
Zoo zijn er menschen, die beginnen eerst te zeggen, dat ze niets tegen den persoon hebben, maar als ge dan maar luisteren wilt, dan komt de smaad en den laster achter aan. Gelukkig voor de oprechten, dat ze weten, dat de Heere hun hart en hunne bedoelingen kent,
En wie zal zeggen o! bescbrijven wat die heilige ziel van Jezus is gewaar geworden, en wat in zijn binnenste omging, hier ten huize van Simon den melaatsche! De Heere is op weg naar Jeruzalem. Daar zal Hij lijden en sterven , volgens Zijn eigen voorzegging. Reeds hier in dat liefelijk Bethanie, waar zoo menige aangename ure is doorgebracht, ziet de Heere in Judas Iskarioth, dus in Zijn naaste omgeving, de helsche leeuw gereed, om in verdubbelde woede op Hem aan te vallen.
J. Wisse

De ure en de macht der duisternis is nabij. Wat anderen nog niet eens vermoeden zal straks in de Paaschzaal duidelijk worden, als de ingedoopte bete aan Judas zal gegeven worden, als antwoord op de vraag: Wie is het Heere, die U zat verraden? Vreeselijke dagen en een onuitputtelijk lijden wachten Hem, die door Judas zal verraden, aan de macht der boosheid zal overgeleverd worden, maar die de schande verachten en bet kruis verdragen zal, om een eeuwige zaligheid voor armen en ellen-digen uit te werken.

Want als Satan er op zal willen aanvallen , om ze met alle anderen te verderven , dan zal de Heere zeggen, als tegenover een Judas: Laat af van hen, want Ik heb verzoening voor hen gevonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1914

De Wekker | 6 Pagina's

De aangevallene door Jezus beschermd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1914

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken