Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze liturgische geschriften 67

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze liturgische geschriften 67

4 minuten leestijd

LXVII.
Men heeft de Gereformeerde theologie vaak beschuldigd, dat zij een veel te sterk particularistisch karakter heeft. Zij zou te eng, te stroef, te bekrompen zijn. Zij houdt zich zoo angstvallig vast aan al die ouderwetsche termen en dogma's. „Vooral bij het leerstuk der twee naturen in Christus zou haar stroefheid een sta-in-den-weg zijn tot ontwikkeling en verdieping van dit dogma.
Wat echter onze tegenstanders als beschuldiging ons voor de voeten werpen, rekenen wij ons een eere. De Gereformeerde theologie is niet het riet gelijk, dat door het geringste zuchtje heen en weder geslingerd wordt, — is niet als de golfslag, die reusachtig komt aanrollen en dan op eens uiteenspat; maar is den eik gelijk, die den storm kan trotseeren, wijl zijn wortel zoo diep in de aardkorst zich vasthecht. Hoe? Moeten dan de versplintering, de nivelleering, de speculaties, die a!s resultaten der nieuwe Christologie kunnen worden geboekt, een aanwinst heeten! Kan dan het wiegend, vlottend, subjectieve standpunt der nieuwe theologie opwegen tegen het rotsvaste uitgangspunt der Gereformeerde theologie, n.l. de Heilige Schrift, de eenige kenbron der waarheid.
Neen, de Gerofomeerde theologie is niet gelijk onze tegenstanders smalend zeggen, een dooden tronk; maar zij is een levende boom, die groeit en bloeit, wijl haar wortel in den vruchtbaren bodem van Gods Woord zijn levenssappen vindt.
Zij is voor ontwikkeling en verdieping der dogmata, maar alijd onder deze voorwaarde, dat niet het denken van den wijsgeerigen theoloog, maar Gods Woord de bedding aanwijst, de diepgang peilt.
Vooral waar het geldt de beide naturen in Christus treedt het schriftuurlijk karakter der Gereformeerde theologie helder aan het licht. Juist in dit geloofsstuk, zullen wij niet door allerlei bespiegelingen tot klaarheid komen, maar door te verzamelen en te vergelijken wat de Heilige Schrift ons geeft. Slaan wij nu de Heilige Schrift op, dan vinden wij op menige plaats uitspraken, die ons verbieden eene vermenging van het Goddelijke en het menschelijke in Christus voor te staan.
Ofschoon de Heilige Schrift de eenheid des persoons ten strengste handhaaft, wordt toch altijd het wezenlijk onderscheid tusschen de goddelijke en de menschelijke natuur helder in 't oog gehouden. Christus vertoont zich in het midden van Israël als Zoon des menschen, en vraagt: „Wie zeggen de menschen, dat ik, de Zoon des menschen, ben,” en tevens toont hij in zijn spreken en in zijne daden, dat Hij ook is de Zoon van God. Zoo verstaan het de Apostelen als wij lezen: „welken zijn de vaders”, en niet welke Christus is, zooveel het vleesch aangaat, dewelken God, boven alles te prijzen in der eeuwigheid.” Zoo sterk doet de Schrift dit onderscheid uitkomen, dat Christus naar zijn menschheid als zwak en hulpeloos wordt geteekend; Hij kon vermoeid neerzitten bij eene bron, hij kon snakken naar een dronk water en vragen naar een bete broods; hij kon lijden en sterven en toch nog in zijn stervensure toonen, dat Hij God was, waar Hij voor den moordenaar de poort van het paradijs ontsloot.
Nimmer geeft de Heilige Schrift ons vrijheid om eene vermenging der beide naturen in Christus te huldigen, en het is juist de eer der Gereformeerde theologie, dat zij, door deze onderscheiding wel in 't oog te houden, ruimte heeft gelaten voor een zuivere menschelijke ontwikkeling van den Christus, en haar stelregel, dat het eindige niet vatbaar is voor het oneindige, pastte zij met vrijmoedigheid op de menschelijke natuur van Christus. Wat de Lutherschen leeren omtrent de mededeeling van goddelijke eigenschappen aan de menschelijke natuur van Christus, wat de nieuwe theologie omtrent een vergoddelijking van het menschelijke in Christus verdedigt, is feitelijk een geweld plegen aan de zuiver menschelijke natuur van den persoon des Verlossers; het is niet vrij van pantheïstische tendenzen. En dan dat onze Gereformeerde Geloofsbelijdenis in art. 19 zoo sterk mogelijk zich stelt tegen een vermenging der twee naturen en o. m. zegt: „Gelijk dan de Goddelijke natuur altijd ongeschapen gebleven is, zonder beginsel der dagen of einde des levens, vervullende hemel en aarde, alzoo heeft de menschelijke natuur hare eigenschappen niet verloren, maar is een schepsel gebleven, hebbende beginsel der dagen zijnde een eindige natuur en behoudende al hetgene, dat een waar lichaam toebehoort.” Wie gevoelt niet, dat op deze wijze de onderscheiding zuiver wordt gesteld en aan beide naturen volte recht wordt gelaten.
Waarom nu was met nadruk de Gereformeerde theologie zoo sterk gekant tegen de geringsie vermenging der goddelijke en der menschelijke natuur in Christus?
J.J. van der Schuit

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914

De Wekker | 4 Pagina's

Onze liturgische geschriften 67

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken