Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Indrukken en Ervaringen 3

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Indrukken en Ervaringen 3

4 minuten leestijd

III.
Als den dag van gisteren herinner ik mij nog het oogenblik, dat ik op het laatst van October 1893 afscheid nam van mijn compagnies-commandant in Utrecht, De man — het was de kapitein Badon Gijben — is reeds overleden; anders ging ik hem stellig mijn opwachting maken. Hij vroeg mij bij die gelegenheid (ik ging toen naar de Theol. School te Rotterdam) waarom ik toch eigenlijk den dienst verliet en of ik onder geen enkele voorwaarde had willen blijven? Ik antwoordde hem: dat ik nog niet bleef voor een ster, dus m. a, w. wanneer hij mij ook dadelijk luitenant maakte; dan ging ik nog heen. En thans, 21 jaren later, heeft men mij niet alleen een ster gegeven, maar ook nog een goud biesje boven de ster geplaatst en in plaats van luitenant heeft men de veldpredikers majoor gemaakt. Gods weg is wonderlijk. Ik had het destijds niet kunnen droomen, dat ik in plaats van met onzen ambtsnaam, met de naam van majoor zou worden aangesproken en in plaats van den gewonen groet mij het militaire saluut zou worden gebracht. Maar laat mij eerlijk bekennen, dat ik mij aanvankelijk zeer onbeholpen gevoelde in mijn nieuwe uniform. Waar ik vooral tegen waken moest: wanneer menschen mij groetten, dat ik dan op militaire wijze groette. Eens had ik de hand al aan de klep van de pet, om haar van het hoofd te nemen en daardoor voor aller oog te openbaren, dat ik geen werkelijke majoor was. Op mijn reis naar de mij aangegeven standplaats trof ik op het station Utrecht nog een van mijn medebroeders, Ds. de Bruijne uit Bunschoten, met wien ik mij nog een oogenblikje aangenaam onderhield. En de trein stoomde weg in de richting van N.-Brabant. Tegenover mij zat een kapitein van de infanterie uit Roermond. De man had heel netjea het militaire saluut gemaakt, maar ik zag aan alles, dat hij niet wist, noch begreep wie en wat ik was. De man kon dan ook zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en zeide: „majoor, mag ik eens vragen wat u is; want ik heb alle mogelijke majoors van ons leger de revue laten passeeren, maar ik kan u niet tehuis brengen. U is geen dokter, u is geen veearts, u is geen intendant; — ik weet niet wat u is.”
Bereidvaardig heb ik hem daarop de meest uitgebreide inlichtingen verschaft, en daar hij, evenals ik, ook burger was, als reserve-officier bij de landweer was opgeroepen en in den Haag op de Valkenboschlaan woonde, hadden wij spoedig een zeer druk gesprek. Ik heb hem heel veel gevraagd en hij heeft mij heel veel aangaande ons leger verteld, waarvan ik nog gedurig de vruchten pluk. Wij waren spoedig in Eindhoven en daar zou een auto mij afhalen en naar het stafkwartier brengen. Ik moet zeggen, dat het mij wonderlijk te moede werd, toen ik een uur lang in de stationswachtkamer moest zitten. Militairen gingen uit en in. In een hoek van de wachtkamer gebruikten eenige officieren hun plat du jour. Zij waren onmiddellijk bij mijn binnen komen opgestaan en ik bemerkte, dat ik van af dat oogenblik het onderwerp van hun gesprek was. Precies half twee meldde zich een kapitein met een auto, waarop de vaderlandsche driekleur wapperde, met het romeinsche cijfer III. Snel werd deze bestegen en in een 70 K. M. vaart ging het naar Geldrop, de plaats waar de generaal was. Op het station van Geldrop moest ik mij zelven aan de generaal-commandant van de IIIe Divisie van Terwisga voorstellen en deze voorstelling viel verbazend mee. Ik had gedurende den tijd dat onze generaal regiments commandant in Leiden was, veel over zijn gulheid en hartelijkheid gehoord, maar dat hij zoo gul en hartelijk was, had ik niet durven denken. Hij maakte het dadelijk gemakkelijk, stelde mij onmiddellijk aan een aantal officieren voor, en wees mij tevens de luitenant-kolonel, divisie-arts van de IIIe Divisie, als mijn onmiddellijken chef aan. Men had juist een geneeskundige oefening, die door den generaal werd geïnspecteerd, en derhalve werd ik eensklaps midden in mijn werkkring geplaatst. De generaal zelf bracht mij met het een en ander op de hoogte; maar ik moet eerlijk bekennen, dat het mij alles zoo bont door elkander dwarrelde en dat de indrukken zoo overweldigend op mij aanstormden, dat ik er totaal niets van begreep en ik blijde was, dat men mij eindelijk naar mijn kwartier bracht, nadat de generaal mij vooraf nog gevraagd had, of ik dien avond zijn gast aan tafel zou willen zijn. Ik begreep, dat ik dit aanbod niet mocht afslaan.
De Veldprediker.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1914

De Wekker | 4 Pagina's

Indrukken en Ervaringen 3

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1914

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken