Bekijk het origineel

Kerk en Staat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kerk en Staat

6 minuten leestijd

Nog altijd maar oorlog, en de vooruitzichten op den vrede worden donkerder dan ooit. Terwijl ik dit schrijf, dreunt het geschut rondom Antwerpen, dat hier duidelijk te hooren is, en toen ik van morgen uit het venster van mijn slaapkamer zag, verdrongen zich een breede schare van vluchtelingen voor het Belgische Consulaat. Alle wegen, die uit Antwerpen naar Holland leiden zijn in de laatste dagen met vluchtelingen bezaaid.
Gisteren, toen ik op weg was om een militaire godsdienstoefening in de nabijheid van de Belgische grens te houden, ontmoette ik er een groot getal. Wat zagen die arme stakkers er uitgeput en vermoeid uit. Half naakte kinderen. Vrouwen, die zich niet meer konden voortslepen en eenvoudig aan de zijde van den weg nederzegen, mannen die grove Belgische vloeken van tusschen hunne tanden tegen de Duitschers sisten; boeren-familiens, die door losloopende paarden werden gevolgd. ‘t Was oen vreeselijk en deerniswaardig gezicht. De meesten waren uit de omstreken van Antwerpen en gevlucht voor de aanrukkende Duitschers.
Ik gevoelde mij gedrongen eens even met die menschen kennis te maken. Want het waren toch ook menschen, die aanspraak op ons medelijden hadden. ‘t Staat vast, de Belgische bevolking heeft roekeloos gehandeld en zij handelt nog roekeloos tegen over de Duitschers. Het is dwaas (hoewel het begrijpelijk is) dat zij uit heggen en huizen op de Duitsche troepen schieten. Dat verbittert de Duitschers. En dat is wel de voornaamste oorzaak van al den jammer en de ellende, waarin Belgie thans wordt gedompeld.
De vrouw, met wie ik sprak, had den nacht te voren in een kelder doorgebracht; zij verklaarde dat zij liever stierf dan nog zulk een nacht door te maken, „Dat ontontploffen van die granaten” zeide zij, „maakt den mensch zoo vreeselijk angstig, en dan het geschut, dat de aarde doet dreunen en alle deuren en vensters doet kraken, ‘t is als of de wereld vergaat,” Ik vroeg haar naar de stemming der bevolking. binnen Antwerpen en zij verklaarde mij, dat de inwoners vol moed waren. Niemand geloofde dat Antwerpen zou genomen worden, maar wel dat de Belgen in vereeniging met de Franschen en Engelschen naar Berlijn zonden oprukken en Duitschland vernietigen. Zoo ver is het echter nog niet en het staat er niet na, althans op dit oogenblik niet, dat het ook zoover komen zal. Want Duitschland schijnt inderdaad onuitputtelijk te wezen.
Terwijl het in Frankrijk nuim 14 dagen in een vreeselijk gevecht is gewikkeld, waarvan de uitslag op dit oogenblik nog twijfelachtig is, terwijl het tegenover Rusland niet minder dan 22 legerkorpsen in het veld gebracht heeft, beschikt het toch noch over een genoegzaam aantal manschappen om eene belegering van Antwerpen aan te durven, een zeer gewaagde onderneming, maar waartoe het door de omstandigheden gedwongen wordt. Want binnen Antwerpen zit het Belgische veldleger, naar men zegt ter sterkte van ongeveer 250.000 man. Nu beeft dat leger in de laatste weken niet anders gedaan dan allerlei kleinere en grootere uitvallen ondernomen en daardoor de verbindings-liniën van de Duitschers met Luik en Aken bedreigd. Dat levert een bestendig gevaar op. Maar daar is nog iets, en dat zal wel de voornaamste reden wezen. De Franschen trachten in het Noorden de Duitschers om te trekken en verlengen daartoe hun front zoover, dat zij eindelijk voeling met het Belgische veldleger hopen te krijgen. En dan was Duitschland geslagen. Daarom moet dit tot eiken prijs voorkomen worden. En dat kan alleen wanneer de Duitschers Antwerpen aan de Zuidzijde gaan belegeren. Daarmee zijn zij thans begonnen en hebben daardoor iedere verbinding tusschen de beide legers onmogelijk gemaakt. Het Belgische veldleger wordt in de stelling van Antwerpen vastgehouden en de strijd in Frankrijk wordt uitgevochten. Hoe lang het daar nog duren zal, kan niemand zeggen. Want het is veelmeer een belegering dan een veldslag en die nu in deze belegering het grootste uithoudingsvermogen en de meeste mannen heeft, zal het winnen. ‘t Is verschrikkelijk zooveel menschen als er vallen. Men beweert, dat de uitwerking van het geschut zoo vreeselijk is, dat er meer dooden dan gewonden zijn. Ik geloof het gaarne.
Ik zag eenige Duitsche bladen en deze hadden een apart bijvoegsel voor de advertentiën over gesneuvelden. En blijmoedig geeft het Duitsche volk telkens versche troepen. Toen men een vader en moeder, van wie twee zonen in den strijd bij de Ainse gesneuveld waren, wilde condoleeren, wezen zij deze condolatie met een glimlach terug. Hunne kinderen waren gevallen in den heiligen krijg. Zoo staat het geheele Duitsche volk. Ik heb eenige Duitsche kerkelijke bladen ontvangen, maar de toon, die daaruit spreekt, is zoo diep religieus en zoo vol vertrouwen, dat gij een oogenblik uzelven afvraagt: hoe is dat ? Het einde van dezen oorlog is dan ook, menschkundig gesproken, nog op verre na niet te overzien, zoo min als de vraag kan beantwoord worden of wij er buiten blijven zullen. Als ik nog eens op de Belgische vluchtelingen en hun schrikkelijke verhalen terug komen mag, dan krimpt mijn hart ineen bij de gedachte dat dit alles ook ons vaderland treffen zou. Een en andermaal heb ik dezer dagen op de grens gestaan en maakte dan in mij zelven de vergelijking. Daar aan de overzij de woestenij, rookzuilen en puinhoopen en hier bloeiende dorpen en welige landouwen. Onwillekeurig wordt de mensch dan klein en hij vraagt met den man naar Gods hart: „Heere, wat ben ik en wat is mijn huis?’” Want hier is een zulke kennelijke onderscheiding, dat zelfs de ongeloovigen er door getroffen worden. Mocht ons vaderland het verstaan. Maar ach, het wordt niet verstaan. Schouwburgen en bioscopen zitten avond aan avond vol. De militairen gaan veel liever naar de bioscoop, dan naar de bijbellezing in het militaire tehuis, en ik ontmoet er dagelijks die het volstrekt niets kan schelen of er een militair tehuis is, als ze maar naar de bioscoop kunnen. Arm Nederland! Geve God ons veel voor het vaderland te bidden. Want: „Op uw noodgeschrei, deed Ik groote wond’ren.”
Ds. H. Janssen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1914

De Wekker | 4 Pagina's

Kerk en Staat

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1914

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken