Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze liturgische geschriften 70

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze liturgische geschriften 70

4 minuten leestijd

LXX.
Er dreigt een nog grooter gevaar bij een vermenging van naturen, Laat ons dan vooreerst wel bedenken dat heel het Middelaarswerk in zijn diepe levenwekkende beteekenis berust op Christus’ waarachtige Godheid en Christus’ waarachtige menschheid. Zal Christus de gestoorde gemeenschap tusschen God en den mensch herstellen, dan zal hij mensch moeten zijn in den volsten zin des woords en toch anderzijds weer oneindig ver boven den mensch moeten uitblinken. Wij kennen allen ‘t antwoord van onzen Heidelberger op de vraag: „Waarom moest hij God zijn ?” „Opdat Hij uit kracht Zijner Godheid den last des toorns Gods aan zijne menschheid dragen en ons de ongerechtigheid en het leven verwerven en wedergeven mocht.” Even scherp belijnd antwoordt de Catechismus op die andere vraag: „Waarom moest Hij waarachtig mensch zijn ?” „Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menschelijke natuur, die gezondigd had voor de zonde betaalde.”
De beteekenis van den Middelaar en van zijn werk moest dus voor een niet gering deel in zijn waarachtige menschheid uitblinken. Immers zoo alleen kon de straf voltrokken worden daar, waar zij verdiend was, kon dit Middelaarschap der verzoening de ladder Jacobs zijn, welks opperste in den hemel reikt, en was de versche en levende weg tot den troon der genade gebaand. Zou de Middelaar in Zijn algenoegzaamheid openbaar worden en zou bij waarlijk des zondaars plaats kunnen innemen dan moest hij niet aan Adam in den zaak der rechtheid gelijk zijn, zulk een paradijs-mensch ware ons niets waard, maar Hij moest geboren worden uit een vrouw, bezitten niet alleen een waarachtige, maar ook een verzwakt menschelijke natuur. Zoo werd hij den broederen in alles gelijk uitgenomen de zonde, zoo kon Hij staan in de dingen die bij God te doen waren om de zonden Zijns volks te verzoenen.
Maar deze kerngezonde Gereformeerde christologie wordt verbrokkeld, gaat ten onder, zoodra wij het gevoelen van een vermenging der beide naturen in Christus verdedigen. Wanneer wij dit gevoelen huldigen, dan staat feitelijk het Middelaarswerk van Christus buiten het menschelijk geslacht om de eenvoudige reden, dat de Middelaar er dan buiten staat. Of wat blijft er van den Middelaar Gods en der menschen over, wanneer Hij naar Zijn diepe levens-existentie noch God noch mensch is, maar wordt een persoon, in wien het goddelijke en het menschelijke geheel of ten deele samenvloeien?
Dan komt men ertoe, niet alleen om te spreken van een menschwording Gods, maar ook van een Godwording des menschen. Dan zien wij in Christus niet een mensch als onzer één, maar gelijk een godgeleerde het eens uitdrukte „een monstrum”, waarbij niemand zich iets denken kan.” Wie dus de grens tusschen de beide naturen in Christus wegdoezelt, maakt op ‘t laatst van den Middelaar een wezen, dat wel aan God en. mensch verwant is, maar toch feitelijk iemand is van een geheel ander soort. Zijn menschelijke natuur is dan wezenlijk van de onze verschillend ; Hij staat in de kern van zijn wezen naast ons geslacht en alzoo wordt èn de waarachtige menschheid van den Middelaar vervalscht, èn de beteekenis van Zijn Borgtochtelijk werk aangerand. Zal de gemeenschap tusschen God en den mensch, den zondigen mensch, tot werkelijkheid worden, zal aan de ware religie wodor het levensbloed toostroomen, zal onze zaligheid en verrijzenis geen loutere bespiegeling zijn dan is het vóór alle dingen eisen, dat de menschelijke natuur van den Middelaar in haar aard en ontwikkeling aan de onze gelijk zij. Deze eenheid tusschen ons en Christus, of gelijk Paulus haar noemt in Rom. 8: „deze gelijkheid des zondigen vleesches” raakt zoek, wanneer de menschelijke natuur van Christus zou samenvloeien met de goddelijke.
Immers uit deze saamvloeiing der beide naturen ontstond dan een derde natuur, die voor ons in ‘t geheel van geen beteekenis zou wezen. Zulk een zou nimmer onze Middelaar kunnen zijn. Het wordt ons nu al duidelijker, hoe juist de Synode van Chalcedon 451 heeft geoordeeld, hoe dat oude en zoo dikwerf miskende besluit nog altijd zich aanprijst en verre te verkiezen is boven ‘t geen men in de laatste decenniums heeft verdedigd.
Noch de Luthersche, noch de Ethische theologie heeft zoo helder het onderscheid ingedacht en uitgewerkt tusschen de beide naturen in Christus als de Gereformeerde theologie. Al zal de Gereformeerde theologie gaarne erkennen, dat zij zeer gebrekkig haar gevoelen kan weergeven, wijl wij hier staan voor een verborgenheid, toch kan haar de eer niet onthouden worden, dat zij ‘t meest den rijkdom der Heilige Schrift, de eer van Christus, en de beteekenis van het Borgtochtelijk werk heeft vertolkt.
J.J. van der Schuit

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1914

De Wekker | 4 Pagina's

Onze liturgische geschriften 70

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1914

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken