Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zachëus en Jezus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zachëus en Jezus

10 minuten leestijd

„En ziet, er was een man met name geheeten Zachëus en deze was een overste der tollenaren en hij was rijk. „En zocht Jezus te zien, wie hij was, en kon niet van wege de schare, omdat hij klein van persoon was.” Luk. 19 : 3—3.

't Was een schoone overwinning, toen onder het geklank der bazuin Jericho's muren instortten en deze stad, de sleutel van Kanaän, Israël in handen viel. De schrijver van den brief aan de Hebreën heeft dit feit een plaats gegeven in de rij der schitterende heldendaden des geloofs.
Gansch Kanaan heeft er van gewaagd en alle eeuwen zullen er nog van getuigen , dat Jericho's muren gevallen zijn voor Israëls grooten Opperheer.
De bladzijde van het Lukas-Evangelie, waarop heden ons oog rust, spreekt ook van een overwinning onder Jericho's muren behaald, te schooner, wijl hier niet slechts een tijdelijke, maar een eeuwige zegen werd verkregen. Het betrof Zachëus, den tollenaar in Jericho, toen de grendelen en deuren zijner ziel werden sluk geslagen en de vorst van het heir des Heeren ook daar zijn intocht deed.
't Was groot, toen eens in de velden van Jericho den Zoon des menschen werd gezien met het uitgetogen zwaard in zijn hand (Jozua 5,) maar het was veel grooter, toen Hij Jericho naderde met den balsem der genade in handen, om een heilzoekend hart te verblijden, om Zachëus, den tollenaar, toe te brengen tot zijn schaapskooi.
De Heere Jezus is op weg naar Jeruzalem; Zijn weg loopt door Jericho. Niets kan hem ophouden, om in Jericho een wijle te toeven. Geen schoonheid der stad, noch ook de paradijs-lusthof rondom die stad, — niets is bij machte om Jezus te bewegen zijn reis af te breken. Niets? Ja toch iets. Het geldt de verlossing van een zondaar. En dan heeft Jezus immers tijd. Zachëus moet toegebracht worden en dan is het oponthoud te Jericho voor Jezus geen tijdverlies, maar eeuwigsheidwinst.
Indien er een bladzijde in het Evangelie van Lukas wordt aangetroffen, waar wij de parel van Gods genade in de zwarte diepte der zonde zien flonkeren, dan mag gewis ook het begin van Luk. 19 daartoe gerekend worden.
Denk aan Zachëus, den verachten tollenaar, den man, die vele goederen voor vele jaren had, maar aan wiens rijkdom den smet der zonde kleefde. Zachëus, die in het register van den Fariseër als een zondig man stond aangeschreven, ja hij zou de verkorene zijn, waaraan de Heere Zijn genade wilde verheerlijken. Of het waar is, wat de ongewijde geschiedenis van Zachëus verhaalt, dat hij later nog een leerling van Petrus zou geweest zijn en een bisschoppelijken zetel te Caesarea heeft gehad, weten wij niet; wel weten wij dat hij een leerling van Christus is geweest en een plaats in het Vaderhuis heeft ontvangen.
Zachëus was rijk en toch arm — arm aan vrede, arm aan blijdschap, arm aan troost. De Mammon, dien hij zoolang had gediend en waarvoor hij zoo dikwerf had gebogen, bevredigde hem niet meer; hij gevoelde dat droef ledige, dat onbestemd verlangen in zijne ziel, 't welk niet altijd onder woorden te brengen is, maar dat immer knaagt, pijnigt, smart. Er was in Zachëus' ziel een verlangen opgewekt, waarvan hij zich niet aanstonds ten volle rekenschap wist te geven, maar dat toch hierdoor gekenmerkt werd, dat het hart zich niet meer kon verlustigen in wat voorheen zoo aantrok, 't Beeld van den zondaar in de morgenschemering des geestelijken levens; hij is zoekende, biddende, vragende, worstelende, maar .... het is alles nog in het donker gehuld, 't is nog met een waas omfloersd! Dat is een droeve zielstoestand. Aan de wereld heeft men dan niets en Christus in al zijn volheid is dan nog voor ons een onbekende. Voor zulk eene is het dan geen nacht, maar evenmin dag, 't is ten hoogste de morgennevel, waarin men dan voorttreedt.
Geen rust! Dat is het wat Zachëus voortjaagt. Trots al zijn wijsgeerigheid en milddadigheid is zijn hart onrustig in hem. Geen wonder: de Silo, de Rustaanbrenger is nog niet gekomen tot de poorten zijner ziel. Gode zij dank, de Heiland zal zulke zoekende harten vinden en bezoeken met zijn heil. Laat ons toch opletten, waarmede dit geschiedverhaal aanvangt. Dat vangt niet aan met komen van Zachëus tot Jezus, maar juist omgekeerd. Immers Lukas begint dit hoofdstuk niet met Zacbëus maar met Christus. Het eerste vers luidt: „en Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho”. Als Jezus tot Jericho's poorten naderde, ging ook voor Zachëus langzamerhand het zonlicht op.
Heerlijk! De eerste stap wordt hier niet door Zachëus, maar door Jezus gedaan ; en de Heiland doet die stap, omdat Hij weet, dat in Jericho een zondaar in tweestrijd met zichzelf verkeert, wiens banden Hij moet breken, wiens schemering tot een blijden dag moet klimmen,
„Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht; Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht.”
Daar nadert de Heere Jericho, en Zachëus hoort het. Hij ijlt uit zijn woning, „want,” zegt Lukas, „hij wil Jezus zien.”
Dat zien was meer dan de drang der nieuwsgierigheid, maar het was, gelijk uit het vervolg duidelijk blijkt, de levendige behoefte zijns harten. Het was een zien, uit den nood zijner ziel geboren. Wanneer zijn oog slechts op den Heiland mag rusten, wie weet — zou er ook dan geen kracht van Hem uitgaan ?
Zeker Zachëus had gaarne Jezus aan zijn tafel genoodigd, had Hem gaarne ontmoet om zijn stem eens te hooren, — maar neen, dat was te groot voor hem, zulk een groot zondaar; hij is met het zien alleen te vreden, O ja, een oprecht hart wordt al verblijd door het kruimpje, dat van de tafel des Heeren valt, — door een enkele aanraking van Jezus priesterlijk kleed. Zachëus wil Jezus zien.
Maar op den weg naar Jezus zijn steenen des aanstoots. Zachëus, die klein van persoon is, wordt door een tweetal bezwaren tegen gehouden, Vooreerst de groote toeloop van volk. Een groote schare omringt den Heere, en Zachëus wordt het uitzicht benomen. In ons zoeken van Jezus staan de menschen ons soms in den weg. Een wereldsche vriend of vriendin, een zondige omgeving in huis of in werkplaats, een machtige bekoring , die van al het zinnelijk en wulpsche uitstraalt, en zooveel meer willen een slagboom, een sta-in-den-weg zijn om Jezus te zoeken.
En daarbij. Wie zijn wij zelf? Zacheus was ook klein van persoon. In zijn eigen persoon lag dus tevens een struikelblok om hem in de gegeven omstandigheden van Jezus verre te houden en hem toe te fluisteren: voor dit maal ga heen, Zacheus! en wanneer er gelegener tijd zal aanbreken, dan kunt ge Jezus wel zien.”
En ons zelf? Ja, dan kunnen de bangste bezwaren onze ziel bekampen, — dan kan de vrees voor zelfbedrog, dat ongeloof, die twijfelzucht, die biddeloosheid, dat wegzwerven ons zoo loodzwaar gaan wegen, dat het alles ons van Jezus dreigt terug te houden.
Maar neen, de oprechte van hart kan en zal wel bestreden, maar daarom nog niet door al die moeielijkheden overwonnen worden. Integendeel, het resultaat zal zijn, dat hij een te inniger smachten kent naar den Heere en Zijne genade. Zie, Zacheus; hij wil van geen uitstel weten. De Schrift zegt: „en vooruit loopende, klom hij op een wilden vijgenboom, opdat hij hem mocht zien.” Wat een moeite! Dat is heel wat anders dan sommige menschen gewoon zijn, die, ja ter kerk willen gaan, maar. . . . wind en getij moeten mede werken. Er moet niets in den weg komen; geen drukte met den middagpot, geen visite op den middag, geen verrukkelijke Zondagavond, die tot wandelen uitlokt, enz., of, men laat zijn plaats ledig in Gods huis en stelt het uit tot de volgende week. En die menschen willen soms ook nog godsdienstig heeten en kunnen bij tijden een heel vroom gezicht zetten. Dat is het lauwe Christendom van onze dagen,— zonder bezieling, zonder leven, zonder behoefte. Alles vorm, alles glim, alles schijn, maar . . . . het Zacheushart wordt niet gekend,
Niets weerhoudt Zacheus, geen gedrang der schare, geen kleinheid van persoon, geen gedachte „tot later”, tot een geschikte gelegenheid zich voordoet. Integendeel, haastig heeft hij zich een zitplaats op den vijgenboom gekozen. Wat eene kerkplaats! Menigeen heeft op zijn zachte kussen in zijn kerkbank niet zulk een zitplaats als Zachëus in den boom. Waren er maar wat meer zulke kerkgangers, die verlangden Jezus te ontmoeten. Wat zou den Heiland wel zeggen, als Hij eens onze godsdienstige samenkomsten bezocht en Hij zag er hier een slapen en er ginds een spelen met zijn horloge of met zijn ring aan den vinger, en elders een hel spiegeltje uit zijne zak halen bekijkende of de strik wel goed en het haar wel glad zit. Voorzeker, Hij zou niet zeggen: „haast u; Ik moet heden in uw huis zijn!”
Ja, dat is het woord voor Zacheus. Welk een psalm der vreugde voor dezen tollenaar! Ziet, hoe de Heere gekomen is om te geven boven bidden en denken, Zachëus wil Jezus zien, Jezus geeft hem zoo veel meer. Zacheus zal den Heere niet slechts zien, hij zal ook Zijne stem hooren, — hij zal persoonlijk door Hem worden aangesproken, — nog meer, hij zal Jezus aan zijne tafel zien zitten als Gast, ja, nog meer, hij zal van die gezegende lippen des Heeren een naam hooren, die hem een plaats geeft met Abraham en Izak en Jakob in 't Koninkrijk Gods. De Heiland zegt toch zooveel heteekenend: „nademaal ook deze een zoon van Abraham is.” (vers 9).
Zie hier het stijgend Halleluja voor elk waar zoekend hart, dat de Heiland altijd verrassingen bereid heeft, — dat de Heere altijd meer geeft, dan wij hadden verwacht. Zacbeus was voor 's Heeren oog in 't dicht gebladerte van den vijgenboom niet verborgen. Laat het u troosten, wanneer gij in de eenzaamheid uw hart opheft tot den Heere.
Wanneer ons hart vol zuchten en uw binnenkamer misschien vol zorgen is, laat ons gelooven dat Hij, Wiens naam is Sterke God, dicht bij ons is, en nog altijd daar woont, waar het wordt gekend:
„D'oogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten.”
Wat voorrecht! Wat eens een woord der verachting was, zij nu een woord ter vertroosting: „Hij is tot een zondigen man in gegaan, om te herbergen.” Jezus wil wonen in ons huis en in ons hart; maar dan ook met Zachëus alles uitgebannen wat den Heere mishaagt, dan ook getoond: „wie den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.”
Hier wil Jezus intrek nemen in ons huis, straks neemt Hij al Zijn volk op in Zijn huis. Heden Jezus bij ons, — straks wij eeuwig bij Jezus. Heden zien door geloof, straks zien bij aanschouwen.
Gode zij dank, er is een hemel, waarin plaats is voor Rachab de hoer, voor Zacheus, den tollenaar, — voor allen, die zich zelf als de grootste der zondaren hebben leeren kennen.
Het stand-Christendom moge van zulk een hemel liefst niet hooren, de Farizeën dezer eeuw mogen bij zich zelf denken: „nu als Zachëus de tollenaar er komt, dan kom ik er toch zeker,” de oprechte van hart beluistert daarin de schoonste psalm der genade: „want de Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.”
Welgelukzalig, die straks met Zacheus de kroon mag nederleggen aan de voeten van 't Lam, dankbaar belijdend: „mij is barmhartigheid geschied.”
J.J. van der Schuit

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 1914

De Wekker | 4 Pagina's

Zachëus en Jezus

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 1914

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken