Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kerk en Staat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kerk en Staat

6 minuten leestijd

Er liepen de laatste dagen allerlei vredesgeruchten, waarvan niemand de herkomst kon vaststellen. De een zeide, dat de paus zijne bemiddeling had aangeboden; een ander, dat president Wilson er voor werkte en een derde wees op nog andere bron van oorsprong. Hoe het zij, er zijn vredesgeruchten en zonder twijfel heeft dit wat te zeggen. Niemand besluite daaruit dat de vrede binnen een maand zal geteekend zijn, want zoo gauw zal dit niet gaan. Maar deze loopende geruchten bewijzen, naar ons oordeel, dat voor alle partijen het mooie van den oorlog er af is, d. w. z. niet een der oorlog voerenden gelooft meer in zijn eigen overwinning. Want er is tweeërlei weg, door welke men tot den vrede komen kan.
Ten eerste, door een volkomen overwinning van eigen tegenpartij. Dan wordt de vrede door den overwinnaar eenvoudig aan den overwonnene opgelegd. Het is niet de vraag of bij de vredes-voor-waarden goed vindt of toestemt, — hij moet ze aanvaarden, want hij is de overwonnene. Zoo schreef Duitschland aan Frankrijk in 1871 den vrede voor, en hoe pijnlijk en diep vernederend dit ook voor Frankrijk was, het moest ‘t aanvaarden; — het kon niet anders.
De tweede weg is, dat niemand overwint, althans niet zoo volkomen, dat hij den vrede aan de andere partij kan opleggen. In dat geval moeten partijen eerst de volslagen onmogelijkheid inzien het beoogde doel, de vernietiging van den tegenstander, te bereiken. En dan gaat men, als een gevolg van deze onmogelijkheid, eerst afzonderlijk en daarna gemeenschappelijk over den vrede spreken. Zulk een vrede is gewoonlijk de vrucht van loven en bieden, en ieder zal gevoelen, dar zulk een vrede maar niet op één dag tot stand gebracht is. En toch verwacht ik, dat het zulk een vrede zal moeten worden. Want, maanden aan een houden don oorlogvoerende partijen elkander zoowat in evenwicht. Vandaag op het Westelijke front de Franschen op een bepaald punt 500 a 1000 Meter vooruit, morgen op hetzelfde front, maar op een ander punt, de Duitschers.
Vandaag boeken de Engelsch een klein succes, morgen de Duitscher. En op het Oosterlijk front is het al niet anders. Vandaag zijn de Russen in het offensieve, morgen de Duitscher of de Oostenrijkers. De slag in de Karpachen duurt al een kleine maand, heeft zonder twijfel aan da beide partijen duizenden van menschenlevens gekost en het wil mij op dit oogenblik voorkomen, dat hij onbeslist zal eindigen en ieder zal zichzelven dan de eere der overwinning toekennen. De forceering der Dardanellen zal dan van twee zijden tegelijk beproefd worden. Rusland zal beginnen van de zijde der Zwarte Zee en Frankrijk en Engeland van de zijde der Middelandsche zee. Maar daarin schuilt juist een gevaar, niet allereerst voor Frankrijk, maar voor de geallieerden zelf. Want dat Rusland dit werk aan zijn bondgenooten niet overlaat, geschiedt m, i. uit geen andere oorzaak, dan omdat er wantrouwen in het spel is. Engeland noch Frankrijk gunnen Konstantinopel aan Rus-land, en Rusland heeft niets aan Konstantinopel, wanneer het een neutraal terretoriaal wordt. Voor een neutraal Konstantinopel vecht Rusland niet; het vecht voor een Russisch Konstantinopel. Op de Aya Sophia moet het kruis worden geplant en Konstantinopel moet het geestelijk middelpunt worden van de Grieksche kerk! Concurrentie met Rome dus, en een schrikkelijke. Griekenland blijft wel buiten den oorlog en Roemenie met Italie talmen waarschijnlijk zoo lang, dat het de moeite niet meer waard is te gaan vechten. Daarbij komt dat de oorlog in Italie maar bij een deel van het volk populaar is; een ander deel is er schrikkelijk tegen, zoodat een regeering, die Italie in den oorlog brengt hoog, zeer hoog spel speelt. Bedriegen alle voorteekenen niet, dan zullen de oorlogvoerenden het onder elkander uit moeten maken. Wat voor geen der partijen gemakkelijk vallen zal. Wel wordt er op dit oogenblik met koortsachtigen ijver in Engeland geworven, maar of het millioenen legers zullen zijn, zooals Kitcbner geprofeteerd heeft, mag op goede gronden betwijfeld worden. Daartegenover staat, dat in Duitschland de oproeping nog maar altijd doorgaat en dat in het Duitsche volk, dienzelfden geest van offervaardigheid blijft leven, als waarmede het dezen oorlog begon, — een factor, die niet te hoog aan-geslagen worden kan, want een volk van 65 millioen, dat van klein tot groot en van arm tot rijk doordrongen is van het gevoel „het gaat om ons zijn of om ons niet zijn,” is onoverwinnelijk. Men versta mij wel: zulk een volk kan geslagen, maar nooit verslagen worden.
Zoo populair als de oorlog in Duitschland is, is hij in niet een land en bij niet een volk. Het meest nog bij de Franschen, Maar wat gevoelt de Rus, die daar uit het hart van dat onmetelijke rijk wordt opgeroepen en naar het front gezonden om daar te sterven, voor dezen oorlog? Immers niets. En hoe weinig populair de oorlog in Engeland is, bewijzen de kunstgrepen en de dwangmiddelen, die toegepast moeten worden, om de werving te doen slagen. Alles wijst er dan ook m. i. op, dat er straks over twee of drie maanden wellicht over de vrede zal moeten onderhandeld woerden, zonder dat er een afdoend resultaat op een van de fronten door een der partijen verkregen is. En dan wordt het van zelf een vrede, die vrucht is van loven en bieden. Slaat men Duitschland niet uit Frankrijk en Belgie en breekt Rusland niet door de Karpathen heen, dan staan Duitschland en Oostenrijk er bij zoodanige vredesonderhandelingen het beste voor, want zij hebben terrein van hun buurlui in bezit, Duitschland heeft op het Oostelijke front een deel van Russisch Polen en, naar het Westen, een deel van Frankrijk en bijkans geheel Belgie. Rusland houdt misschien een gedeelte van Galicie, wat echter, gezien den tegenwoordigen toestand, nog lang niet zeker is. Gaat men dus onderhandelen over den vrede, dan is de aller eerste vraag: wil Duitschland de bezette gebieden ontruimen? zoo ja! tot welke prijs dan ? En zijn de Geallieerden bereid dien prijs te betalen? Want dat Duitschland vrijwillig en zonder schadeloosstelling dat alles loslaten zou, gelooft natuurlijk niemand. Maar hier begint dan ook het probleem van den vrede. Men heeft geschreven over het probleem van den oorlog; maar ik geloof, dat het probleem van den vrede nog zwaarder is.

L. (Leiden) J.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1915

De Wekker | 4 Pagina's

Kerk en Staat

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1915

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken