Bekijk het origineel

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (II)

5 minuten leestijd

En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. Rom. 14: 23b.

Ons kerkelijk leven heeft in do laatste maanden een crisisperiode doorgemaakt. Slag op slag rolde een golf over het dek van 't scheepske onzer kerk, een drietal predikanten meeslepend. Of dit drietal laat van zeeziekte gehad heeft òf dat zij overhoord gesprongen zijn om bun lijf te bergen, ik zou het niet met zekerheid durven zeggen. Twee van dit drietal zijn reeds door een groeten stoomer aan boord genomen en nu varen ze onder zoo'n mooie vlag „de vereenigde Gereformeerde Kerken”. En natuurlijk zulk een vlag waarborgt de lading volkomen! Wat er van den derden schipbreukeling terecht is gekomen . òf bij nog altijd rondzwalkt òf dat hjj reeds een plekske heeft gevonden, waarbij hij zijn banier wat beter kan ontplooien, ik weet het niet. De kleuren van dezen banierdrager zijn op heden zoo moeielijk te onderscheiden, dat het maar beter is, daaraan geen woord ts verspillen.
Wat ons echter het meest onsympatiek in dit droeve feit toespreekt, is niet de daad van breking met de Christelijke Gereformeerde kerk, maar ia veel meer de wijze, waarop zulks geschiedde. Wij, dienaren des Woords, zijn vrij om te blijven òf om te gaan, al naarmate de balans onzer persoonlijke overtuiging doorslaat; en wie niet meer met een goed geweten zijn kerk kan dienen, welnu, die ga heen, maar hij doe dit eerlijk, ridderlijk, overeenkomstig den eed bij de aanvaarding zijner bediening afgelegd. Immers zijn wij het er allen hartelijk over eens, dat een belofte voor 't aangezicht des Heeren gedaan en door onze handteekening bevestigd, gelijk moet gesteld met een eed, die de burgelijke overheid van ons eischt.
Wanneer nu een dienaar des Woords zijn handteekening heeft gezet onder het eeds- of verbindingsformulier en o. m. deze heilige stipulatiën der kerk heeft aangegaan, om bij eventueele bedenkingen dit vooraf den Kerkeraad, Classis of Synode te openbaren, om daar een onderhoud te hebben òf — wat ook kan — wanneer een Classis of Synode op grond dezer stipulatiën een onderhoud met zulk een dienaar des Woords verlangt, maar deze dienst stoort zich aan niets, hoe anders moeten wij dan zoodanige brandmerken dan als een kerkelijk meineedige?
Nu laat ik verder 't oordeel aan den lezer hoe te denken over het drietal predikanten, die 't kerkverband verbreken, die dat deden, gelijk zij allen zullen beweren, in den weg des gebeds, en na veel studie, maar die nooit op een wettige Kerkelijke vergadering hun bedenkingen ter tafel brachten en die later driest weg elk onderhoud weigerden!
Welnu, deze mannen hebben in den laatsten tijd de bedenkelijke eer genoten om als reclameborden en advertentiën dienst te doen. „De Heraut” ging voorop en betoogde, hoe zwak toch wel die Christelijke Gereformeerde kerk stond, en zag reeds als met een zeldzame zieners-blik hoe er nu wel eens meer zouden kunnen volgen. Alleen waarschuwde „de Heraut” de Classis der Gereformeerde Kerken om toch voorzichtig te zijn in het toelaten van die gewezen Christelijke Gereformeerde dominees, die zulk een povere opleiding hadden ontvangen en die natuurlijk niet gelijk kunnen gesteld worden met de hoog-wetenschappelijke predikanten, die aan een wetenschappelijke inrichting hadden gestudeerd!
„De Heraut” had gesproken, en andere kerkelijke bladen zwegen niet stil. Zoo lezen wij in „de Enschedesche Kerkbode”, officieel orgaan van de Gereformeerde kerk, onder het opschrift „Een leerzaam feit” o. m. het volgende. In Ds. Klumper te 's Gravenmoer beeft thans reeds binnen korten tijd de derde predikant.zijn ambt neergelegd bij de Chr. Geref. Kerk in Nederland.”
Hierin ligt een daad van beteekenis; niet minder dan besliste veroordeeling van de helaas nog steeds voortgaande ongegronde en willekeurige afscheiding van de kerk van Christus en eene niet minder besliste erkenning van de Geref. Kerken in ons land als de wettige voortzetting van de aloude Geref. Kerken, door de reformatie van 1834 en die van 1886 weer tot openbaring gekomen nà afwerping van hot Synodale juk en teruggekeerd tot de vrijheid in Christus; en wat hier van groote beteekenis is, tevens de erkenning „dat de Geref. Kerken zijn de meest zuivere openbaring van 't lichaam van Christus.” Ala men zoo iets met een helder oordeel leest, dan weet men niet waarover men zich 't meest verwonderen moet, òf over de domheid van zulk een betoog, òf over de onnoozelheid van hen, die dit nu „als zoete koek opeten.”
Maar dit is één staaltje uit de vele hoe op heden wordt geredeneerd, gefilosofeerd, geadverteerd in de bladen en in de kringen der „Gereformeerde kerken,”
Is het wonder, dat bij sommige (vele(?)) onvaste zielen ook wel in onzen kring soms de vraag der vertwijfeling zich niet liet afwijzen, of wij, als Christelijke Gereformeerde Kerk wel varen op den rechten weg, wel leefde uit een zuiver beginsel?

A. (Amsterdam) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1915

De Wekker | 6 Pagina's

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1915

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken