Bekijk het origineel

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (VIII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (VIII)

5 minuten leestijd

En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. Rom. 14:23b

De Scheiding zagen wij als een Geloofsstuk voor ons oprijzen, haar beginselen in hot goud van Schrift en belijdenis uitblinken. Dat gouden verleden, waarin wij Gods stem zoo klaar beluisteren, moet voor ons meer zijn dan een droom, waarop de man der vergetelheid spoelt. Het zij voor ons een boek, door den vinger des Heeren beschreven, waarvan elke bladzijde ons opwekt om te smeeken:

„Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond;
Denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen;
Denk aan Uw erf, 't voorwerp van Uw zegen; —
Aan Slons berg, waar G'eertijds hebt gewoond.”

Dat boek, waarvan de bladen nat gemaakt zijn door de tranen der bedrukten, waarin zoo menige bladzijde wordt gevonden sprekend van de trouw van Israels God, moet gedurig weer door ons worden opgeslagen. Hoe? Zouden wij dan kunnen en mogen gedogen, dat van de overzij gedurig de Scheiding worde gesmaald en gescholden. Dat hebben wij nooit anders dan onder ernstig protest gehoord en gelezen. De Afscheiding is voor ons een boom, die geplant is in den vruchtbaren bodem der waarheid, die naar de godzaligheid is, en nu kan die boom nog wel geschud worden…. (en hij is geschud) nu kan hij veel bladeren en takken verliezen, hij kan worden een tronk en…. hij is geworden een tronk, want wat is er over van de Kerk der Scheiding! Maar die tronk leeft nog en de scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen.
Stellig, wanneer menschen de kerk moesten bouwen, dan ware er voor ons geen hoop. Maar het is niet de vraag of wij groot of klein zijn, of wij hebben de mannen van het intellect, de Mrs. in de rechten en de Drs. in de godgeleerdheid, doch of wij staan in de klare geloofsovertuiging van de Cock, — dat wij strijden voor het pand, dat ons onder Gods voorzienig bestel door de vaderen is over geleverd, strijden voor de aloude Gereformeerde waarheid, in. Schrift en belijdenis zoo duidelijk uitgesproken.
De kracht van de mannen der Afscheiding trilde in de teederheid van hun kinderlijk geloof. Daarin schuilt de drijfkracht van hun geest, daarin gloort de drang van hun ziel, daarin verbergt zich de spankracht van hun arbeid. Ja, de Scheiding is een geloofsdaad. „Wij gelooven, daarom hebben wij gesproken,” was het parool van de mannen der Scheiding, „Wij gelooven, daarom hebben wij gebroken,” was het resultaat van hun optreden.
De Afscheiding kwam niet op uit zucht naar scheuring, naar kerkje-spelen, maar de eere Gods, en het onverzwakt handhaven der Geref. belijdenis was haar middelpuntvliedende kracht. Wij, Christelijke Gereformeerden, staan nog altijd op dat zelfde standpunt. Al scheldt men ons voor „scheurmakers, voor malcontenten,” met veel meer recht dan Dr. Kuyper in 1884 in de Heraut schreef, mogen wij zeggen „uw protest raakt onze conscientie niet.” Toen men Kuyper in 1884 onder het oog bracht, dat het niet waar was, wat hij week uit week in betoogde, dat het blijven in de Herv. Kerk echt Gereformeerd was, schreef hij: „uw protest tegen ons stilzitten raakt onze conscientie niet.” Maar dit aanmatigend woord is niets zeggend.Een conscientie, die zich niet onder de tucht van Gods Woord en de belijdenis wil stellen, ia een dwalende conscientie, veel gelijkend op een stuk elastiek. Neen, wij, Christelijke Gereformeerden, wij mogen zeggen: „uw protest, uw smalen, uw schelden raakt onze conscientie niet”, wijl wij in onze conscientie ons aan Gods Woord en de Belijdenis gebonden gevoelen om nooit het beginsel der Scheiding te laten negeeren, verdonkeren, miskennen, begraven.. Of meent ge, dat zulks niet geschied is? Maar wij weten maar al te goed hoe velen hun pen in gal en alsem doopten, om de Scheiding te blameeren en die immer bitter venijn onder hun tong hadden, om de Afscheiding te brandmerken.
Met stilzwijgen zal ik voorbij gaan wat er in de eerste jaren na 1834 al niet het licht zag om de Scheiding te krenken. Men zag toen in de Scheiding niets anders dan de daad van eon groep malcontenten, die het in de Herv. Kerk niet meer konden uithouden, wijl ze werden geïnspireerd door dweepzuchtige neigingen. Die Afgescheidenen, zoo hoorde men alom in die dagen verluiden, waren onuitstaanbare menschen, die de leer der uitverkiezing op den spits dreven, die dweepten met de 5 artikelen tegen do Remonstranten en die onder een vrome vlag kerkelijk revolutionaire denkbeelden trachten ingang te doen vinden.
Zoo werd er de eerste jaren al smalend over de Scheiding gesproken en later — (1880—1892) heeft men zulke bittere woorden, zulke lage uitdrukkingen niet gebezigd, maar men heeft het toon op meer fatsoenlijke wijze gedaan. Maar op laatst blijft het precies hetzelfde, hetzij men een grove sabelhouw of oen fijne degenstoot ontvangt en …. het waren de mannen der Doleantie, die met zulk een degenstoot het hart van de kerk der Scheiding troffen en schier doodelijk wondden. Wij zullen zien hoe.

A. (Amsterdam) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1915

De Wekker | 4 Pagina's

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (VIII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1915

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken