Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zonder Christus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zonder Christus

11 minuten leestijd

„Dat gij in dien tijd waart zonder Christus.” Efeze 2 :12a

Groote genade was den geloovigen te Efeze te beurt gevallen, waar Paulus de gemeente zoo bijzonder aan herinnert, als hij in ons teksthoofdst. begint te zeggen: „En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden.” Die levendmaking hadden zij te danken aan Gods groote barmhartigheid en liefde, waarmede Hij hen heeft liefgehad. Eertijds waren zij Heidenen, die door de Joden werden geacht en aangezien als staande buiten de zegeningen van Abrahams God. Al de ellende, waarin zij in dies tijd hadden verkeerd, wordt door Paulus in enkele woorden samengevat met te zeggen, dat zij in dien tijd waren zonder Christus, Met die weinige woorden kan omschreven worden niet alleen den jammer en de ellende van de Heidenwereld, maar ook van ieder mensch in ‘t bijzonder, van. welke afkomst, staat of kwaliteit hij ook zij. Om dit goed te verstaan, moeten we in de eerste plaats wél opmerken wat de apostel van het eertijds der Efeziers zegt, namelijk, dat zij dood waren door de misdaden en de zonden. Dood zijn is zoo geheel iets anders dan ziek zijn. Een zieke kan genezen en weder gezond worden. Maar wat is van een doode te wachten? En wat Paulus hier door den Heiligen Geest getuigt van deze voormalige Heidenen, is in het wezen der zaak ook van toepassing op alle kinderen van Adam. Immers, allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. ‘t Was niet alles Israël, wat uit Israël was. En evenmin is het alles Christen, wat uit de Christenen is. Nicodemus was geen Heiden maar een Jood, en. nog wel een Leeraar uit Israël, en hoe moest ook hij nog hooren uit den mond van Christus: „tenzij, dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien”. Of ge van Joodsche, van Heidensche of van Christelijke afkomst zijt, wat zal het u baten, zoo ge zonder Christus zijt. Of ge dien naam al gehoord hebt, of ge al veel hebt hooren spreken over en veel gelezen hebt omtrent den persoon van Christus, dit maakt, op zichzelf genomen, u Christus niet deelachtig. Duizenden en millioenen van menschen is het zoo gegaan, van wie toch in waarheid kan en moet gezegd worden, dat zij zonder Christus nebben geleefd, zonder Christus zijn gestorven en dientengevolge gewis en zeker voor eeuwig zijn omgekomen. Alleen zij, die door een oprecht geloof Christus hebben aangenomen, zulken heeft God macht gegeven, kinderen Gods genaamd te worden.
Van dezulken getuigt Paulus, (2 Cor. 5): „die in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgaan, ziet het is alles nieuw geworden.” Zonder Christus wil dan ook maar niet zeggen zonder kennis van Christus te zijn. In dit opzicht is van zelf groot onderscheid tusschen ben die niet, en hen die wél in de bijzondere Godsopenbaring hebben gedeeld. Maar wat het einde van die allen betreft, getuigt Christus, dat zij, die den wil des Heeren gekend en niet gedaan hebben, met dubbele slagen zulten geslagen worden.
Zonder Christus! Dat wijst ons hier op der geloovigen eertijds, op hun heden en op hun toekomst. „Dat waart gij” is geheel wat anders dan dat er stond: „dat zijt gij.” „Dat waart gij” ziet op het verleden, wat zij geweest waren, aan wie Paulus hier schrijft, vóór dat ze door God waren levend gemaakt. En wie is in staat om naar eisch de ellende te beschrijven van den mensch zonder Christus! De apostel geeft hier nog eenige uitbreiding aan, door er aan toe te voegen : „Vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geene hoop hebbende en zonder God in de wereld.” Zoo te leven, als een vijand van God, als een overtreder van al Gods geboden, in zonden ontvangen, in ongerechtigheid geboren en van nature een kind des toorns. En dan met het vooruitzicht zoo eens voor Gods rechterstoel te moeten verschijnen, zonder eenige verontschuldiging, zonder Borg en Middelaar, — wat zal dan het vonnis ontzettend zijn, dat zij hebben te wachten, die zoo hebben geleefd en in hunne zonden gestorven zijn.
Geen wonder, dat een zondaar, door ontdekkend licht met zichzelven bekend gemaakt, zich arm, ellendig en nooddruftig gevoelt en in die bewustheid vragen en kermen leert: „is er ook voor mij nog een middel om de straf, op de zonde bedreigd, te ontgaan en wederom tot genade te komen ?”
Groot, onuitsprekelijk groot is dan de genade, u geschonken, als ook van u kan en mag gezegd worden: niet dat zijt gij, maar dat waart gij. Dat zegt dan met andere woorden: gij waart dood, maar zijt nu levend geworden. Gij waart verloren, maar gij zijt nu gevonden. God de Heere heeft zich uwer ontfermd en als u uit modderig slijk opgehaald, — U gered als een brandhout uit het vuur, — U getrokken uit de macht der duisternis, tot Zijn wonderbaar en heerlijk licht. Vele en groote veranderngen kunt ge doorleven, maar dit zal altijd het grootste van alles zijn, als ook van u in waarheid kan gezegd worden, dat ge van dood levend zijt geworden, — dat ge eertijds duisternis waart, maar nu licht zijt geworden in den Heere. Doch hoe groot, hoe onbeschrijfelijk groot die verandering ook zij, het zal gekend moeten worden, zullen we in waarheid een levende hoop deelachtig zijn. Er is wel veel en groot onderscheid in de wijze, waarop Gods uitverkorenen van uit de duisternis lot het licht komen, maar dat doet aan de zaak zelve niets af. In Adam hebben allen gezondigd. Door de zonde is de mensch van God gescheiden, en staat hij met geheel het geslacht van Adam geteekend als zonder God.
Zal de klove tusschen het schepsel en zijn Schepper worden gedempt, zal er van verzoening en van vrede met God kunnen sprake zijn, dan moet er meer gebeuren, dan slechts een uitwendige verandering. Zoo duidelijk en beslist mogelijk wordt dit in de H. S. uitgesproken, dat de mensch moet worden vernieuwd. Dat alle verandering in en met den mensch niet altijd het gevolg is van innerlijke vernieuwing, behoeft geen breedere omschrijving. ‘Er is ook eene bekeering van de zonde tot de deugd, die goed en prijzenswaardig is, maar ongenoegzaam tot zaligheid. Door blindheid en dwaling mag menigeen dit genoegzaam achten, maar Gods Woord leert ons dit wel anders.
Van de Efeziërs getuigt Paulus, dat zij levend gemaakt waren met Christus, dat wil zeggen: zij waren door het geloof met den levend gemaakten Christus vereenigd en alzoo het leven, dat in Christus is, deelachtig geworden.
Te voren zonder Christus en buiten Christus, maar nu in en met Christus gestorven en opgewekt en alzoo een nieuw leven deelachtig, dat in zijn beginsel, eigenschappen, openbaring en vrucht van elk ander leven onderscheiden is. Dat dankten zij en dat dankt ieder geloovige aan de vrije genade Gods. Dit doet de apostel dan ook met zooveel nadruk zeggen: „uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave, niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
Geheel de weldaad der wedergeboorte met al deszelfs vruchtgevolgen ligt begrepen in hetgeen hier met zoo weinige woorden wordt aangewezen: te voren zonder Christus, maar nu Christus deelachtig. Eertijds in een staat van louter ellende, maar nu overgebracht in den staat der genade; en uit kracht daarvan nu geen vreemdelingen en bijwoners meer maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods, gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is.
Daarvan bewust, is Paulus vervuld met lof en aanbidding en getuigt hij in het begin van zijn brief aan de Efeziërs: „Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” Wie, zoo mogen we wel vragen, zal ooit naar waarde den Heere kunnen prijzen voor deze onschatbare genade! Wél blijft ook Gods kind in dit leven nog veel ellende onderworpen en wél heeft ook de allerheiligste in dit leven nog maar een klein beginsel van de gehoorzaamheid onzen God verschuldigd, maar een beginsel is er toch, als de vrucht van het nieuwe, door Gods Geest in hen gewerkte leven. Lang en zwaar kan dit werk Gods in u worden bestreden, en wegens de kleinheid en zwakheid van uw geloof kunt gij hij oogenblikken geschud en geslingerd worden, maar elke plant, door den hemelschen Vader geplant, zal niet uitgerukt worden. De Heere staat zelf voor de uilkomst van Zijn werk in.
In welk een peillooze diepte krijgt ge te zien, met allen, die als de geloovige Efeziers aan dat „eertijds” worden herinnerd, toen ge zonder Christus, dus zonder Borg en Middelaar waart. En onnaspeurlijk is de rijkdom der genade Gods, aan een zondaar verheerlijkt, die zulk een eertijds kent, maar nu ook van wat anders kan getuigen. Dan is er schier geen antwoord, als dezulken voor de vraag worden geplaatst: wat ge te voren waart weet ik, maar nu, wat zijt ge nu ? Der woorden en der gedachten vol, zoudt ge wellicht verlegen zijn boe ge uitdrukking moest geven aan wat ge, met het licht van Geest beschenen, zoudt zeggen, om door het geloof, roemende in de genade van die weldaad, getuigenis te geven. Bij het geloovig bewustzijn van de genade, aan u geschied, zoudt ge in elk geval met den Christen uit onzen Heidelberger kunnen getuigen: „dit is nu mijn eenige troost beide in leven en sterven, dat ik niet-mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.” Dan leeft ge niet meer voor eigen rekening en dan sterft ge niet voor eigen rekening. Uw Ontfermer zal u dan leiden naar Zijnen raad, en u daarna opnemen in heerlijkheid. Welk een heerlijk uitzicht! Welk een rijke troost. Welk een veilig leven. Dan kunt ge door het geloof Paulus nazeggen: door Gods Geest geleid, zijn we kinderen Gods. En indien we kinderen zijn, dan zijn we ook erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus.
Hieruit blijkt dan het groote onderscheidt tusschen de kinderen Gods en de kinderen der wereld. Werd dit eens goed gezien, wat zou ieder begenadigde rijk stof hebben tot dankbare verootmoediging. En wat zouden de kinderen dezer wereld daarentegen oorzaak hebben, om in al hun armoede en ellende te vragen: „is er ook voor ons, ook voor mij nog een weg en een middel tot behoud?” Zonder Christus, — wat is dat een arm en ongelukkig leven! Zoodra ge in ellende komt, zult ge dit het beste gewaar worden. Menschen zijn nietige vertroosters. Bij den dood staat de arme mensch geheel alleen. Dan kunt ge overal de hand naar uitstrekken en overal hulp zoeken, maar zonder Christus is er in geheel de wereld geen redding voor u. Dat maakt het leven zoo bang en het sterven zoo vreeselijk voor den. mensch zonder Christus. Daarom is het zoo noodzakelijk voor allen, die onder het licht van het evangelie leven, zich gedurig en ernstig te beproeven; want de lijd der genade gaat voorbij en keert nimmer terug. De Efeziers waren van arm rijk, van blind ziende, van dood levend geworden. De weg tot al dit heil staat open voor allen, die leven onder het licht van het evangelie. Het is die rijkdom van genade, welke op Christus bevel alom wordt gepredikt. Waar, wanneer of bij wie het tot de vraag komt: „wat moet ik doen opdat ik zalig worde?” blijft het eenig ware antwoord: „Gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.” Dat geloof werkt de Heilige Geest door het Woord. Met en door de genade des geloofs wordt de zondaar bekwaam gemaakt, om Christus aan te nemen en van dezen zegt het Goddelijk getuigenis: „zoovelen Hem hebben aangenomen, die heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods genaamd te worden.” Zonder Christus zijt ge voor eeuwig verloren, — met en door Christus voor eeuwig behouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1915

De Wekker | 4 Pagina's

Zonder Christus

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1915

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken