Bekijk het origineel

Sions Pelgrim

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Sions Pelgrim

9 minuten leestijd

„Want die zulke dingen zeggen, betoonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken. En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weder te keeren.” Heb. XI: 14, 15.

Volgens de geschiedenis van Abraham toont de apostel Paulus in dit hoofdstuk dieërlei werking van het geloof aan; 1e. een geloof, dat aan de onbegrijpelijke roeping Gods gehoorzaam is. 2e een geloof, dat zich een moeilijk leven laat welgevallen, dat geheel in strijd is met de belofte, echter zonder zich te laten aftrekken. 3e. een geloof, dat onmogelijke zaken aanneemt, wijl het zich verlaat op een waarachtig God. Nu wijst de apostel op een geloof, dat zich vertroost met een heerlijke toekomst, welke aan de andere zijde van den dood lag, en zegt van de aartsvaders, dat zij, in 't geloof, stervende het hoofd op de peluw hebben neergelegd, zonder de vervulling te aanschouwen, hoewel zij als door een vergezicht ten volle overtuigd waren, dat die vervulling eenmaal gewis komen zou. Zij waren gasten en vreemdelingen op aarde, en dat betoonen ook de geloovigen des N. T., die geen aardsch, maar een hemelsch vaderland zoeken. Om dat te zoeken, zijn zij uit een vaderland uitgegaan. Dat is het land der duisternis, dat is satansrijk, waarin de zondaar van nature het levenslicht aanschouwt. Dat is de wereld en de dienst der zonde. Voor de wereld zal hij leven, voor die wereld verheft hij zijn stem. Voor het wereldsch goed zal hij strijden en kampen. In de wereld zoekt hij zijn recht, kortom, de wereld is zijn één en al. Hiertegenover bestaat er nu een Godsrijk, dat de Vader van eeuwigheid aan den zoon heeft toegewezen, dat den zoon door zijn bloedig lijden heeft verworven en waarvan de H. Geest de uitverkorenen, door wedergeboorte en vernieuwing, erfgenamen maakt. Door de prediking van het Evangelie wordt dit Koninkrijk bekend gemaakt. Christus als Koning uitgeroepen, zijne wetten afgekondigd, zijne rijksgoederen mild aangeboden. En hoe wordt die prediking ontvangen? Velen sluiten hun hart voor den hemelkoning en verzoeken, dat zijne gezanten hunne landpalen verlaten zullen, evenals de verharde Gadarenen zulks aan Jezus vroegen. Anderen zijn zoo ontaard, dat zij dat goed getuigenis van het Koninkrijk loochenen en bestrijden. Het wordt voorgesteld als verdichtsel. Er is geen onbarmhartiger Koning dan God. Er is geen slechter rijk dan dat van Christus. Het is er niet in uit te houden. Alle genot des levens is geweerd; klagen en zuchten is het dagelijksch deel. Zoodoende wordt de massa door 't ongeloof afgetrokken en blijft in hun oude vaderland, waarin zij geboren zijn, ja, als God het niet verhoedt, zullen zij er in sterven en omkomen. Maar nu schenkt God zijn Geest bij die prediking. Nu wordt de uitverkoren zondaar overtuigt van den aard der zonde; van zijn slaafschen dienst onder den vorst der duisternis, van den gevaarvollen toestand, waarin hij verkeert. Hij verlaat zijn oude gezelschappen, zegt den duivel en de wereld hun dienst op, die wel een ontzettende strijd openen, maar het daarmede niet beter maken. Velen hebben den moed opgegeven, maar de zondaar, door Gods geest overtuigd wordt al meer en meer onrustig. Hij ontdekt het onderscheid tusschen het rijk der duisternis en het rijk des lichts, het onderscheid tusschen de heilgoederen der genade en het nietig, vergankelijk slijk der wereld en gevoelt zijn ellende en gebrek; hij wordt gedrongen zijn eigen vaderland, vrienden en maagschap te verlaten, en te gaan naar een land, dat God zal wijzen. Nu heeft er op geestelijk gebied een' wisseling in zijn leven plaats. Ik zeg op geestelijk gebied, want uiterlijk blijft hij in dezelfde wereld en in dezelfde omgeving, maar hij gevoelt zich nu een gast, een vreemdeling, een bijwoner, waar hij voorheen was ingeburgerd. Gasten komen voor een korten tijd tot ons over; zij nemen voor enkele dagen bij ons intrek; weldra gaan zij ons weer verlaten. Evenzoo gaat het met de geloovigen in dit leven. Zij verkeeren onder den indruk, dat de tijd voorts kort is. Hun verblijf is niets meer dan een wijle vertoeven; de pinnen van den aardschen tabernakel slaan zij niet te vast. Wel waardeeren zij de dagelijks wederkeerende weldaden en zegeningen, maar deze geven toch geen voldoening aan het hart. Zij wenschen de wereld te gebruiken en niet te misbruiken. Hoewel deelende in het genot des levens, zij kunnen hun hart er niet aan geven. Zij zijn ook vreemdelingen. Hun loopbaan is door de wereld. Dat wist ook Jezus, als hij bad: „Vader ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze”. De wereld haat ze, wijl ze niet van haar zijn. Het zijn vreemdelingen, en dat is in alles waar te nemen. Hun spraakt maakt hen openbaar. Zij spreken van een anderen koning als waarvan de dienaar der wereld spreekt, — van een ander land en koninkrijk als de aardschgezinde. Het hemelsch Schibboleth is onderscheiden van het veel gelijkend Sibboletb. Zij gehoorzamen andere wetten als menschelijke inzettingen. Zij dragen een vreemde kleeding; zij hebben bij zich boetgewaden, bruiloftskleederen en wisselkleederen. Zij zijn met het kleed der gerechtigheid en met den mantel des heils, met eenvoud en ootmoed gesierd, Hoe kunstig ook anderen die kleederen hebben nagemaakt, zij zijn en blijven onderscheiden van het weefsel Gods. Vandaar, dat zij zeggen met Jacob, met David en Asaf: Wij zijn vreemdelingen hier beneden, en moeten lang wonen bij degenen, die den vrede haten. Toch kunnen zij echter hunne tent in het land der vreemdelingschappen nog geruimen tijd opslaan, en met genoegen in de wereld verkeeren. Zij leven waarlijk of zij hier tehuis behooren. Dan gelijken de kinderen Sions op de kinderen der wereld en het onderscheid gaat te loor. Maar zij worden toch nimmer ingeburgerd, omdat zij uit God geboren Zijn. Stemrecht verkrijgen zij nimmer, wijl de wereld geen genoegzaam voordeel van hen trekt. Zij zouden hunne ziel en zaligheid als tol en schatting moeten opbrengen, en daar zij zulks niet doen, hebben zij geen lot, geen snoer, noch erfdeel hier beneden. Maar als zij dit alles moeten ontberen, dan is het voorwaar niet gering, dat zij nog menigmaal in het onzekere wandelen. De Apostel zegt: „Zij zoeken een vaderland”, zonder dat vaderland bij name te noemen. Neen, zij zijn niet allen verzekerd van eene zalige toekomst, Als ongetroosten weten zij soms niet, wat het einde zal baren. Wel trekken zij voort als pelgrims met den staf des geloofs in de hand, met het Godsgetuigenis als een lamp en licht voor hun voet; met een levende hoop in het hart, maar .... het geloof is soms zwak, het licht verduisterd en de hoop zinkt, want de verloochening schijnt te sterk, de strijd te zwaar en de moeilijkheden onoverkomelijk. Zouden zij nu maar niet terugkeeren? Zij hebben tot hiertoe er tijd en gelegenheid voor gehad, en kunnen zich nog bedenken, eer zij eene trede voorwaarts gaan? Velen zijn begonnen en hebben niet volhard tot den einde. De kinderen Israels wilden Mozes en Aaron steenigen en een hoofd verkiezen, om maar weer naar Egypte te keeren. De ongehoorzamen zijn door ongeloof in de woestijn gestruikeld. Orpa kwam op de grens van Kanaän en nam afscheid van Naomi en Ruth, om weer te keeren tot haar volk en hun goden. De Capernareten en Demas geven ons een droevig voorbeeld. Was 't nu voor die zoekers naar dat bijzondere vaderland ook maar niet het beste om te keeren?. Och, dat kunnen zij niet. De weg is afgesneden, als door de wateren van de Schelfzee. Terugkeeren is zeker de dood en het verderf. Zij reizen dus voort, beseffende, dat zij er niets bij te verliezen hebben. Zoo zoeken zij een vaderland; maar hunne hoop rust niet op lossen grond; zij wagen het niet met een „misschien”. Zooveel weten zij er toch van, dat zij op het hemelsche staren en het oog op God gericht houden. Door het geloof wordt hunne begeerte aangewakkerd, en houden zij, evenals Mozes, aan God vast, als ziende den Onzienlijke. Zij zoeken eene stad, welker kunstenaar en bouwmeester God is. En die algenoegzame God, die om Jezus wil, het hemelsch Vaderland voor Sions pelgrim openstelt, schaamt zich hunner niet. Welk een liefde in het opzoeken ! Welk een trouw tegenover de zonde! Welk een waarborg voor de toekomst ! Hij schaamt zich niet, hoewel zij zich dikwijls voor Hem schamen. Hij schaamt zich niet hun God genaamd te worden, evenmin als Jezus Zich schaamt hun broeder te zijn. En zie daar de uitkomst: Hij heeft voor hen een stad bereid. O, wat een gunst ! Wel mocht een dichter zeggen:

„God bracht na tegenheden
Hen weer op 't rechte pad,
En richtte hunne schreden
Naar een gewenschte stad.

Laat zulken voor den Heer
Zijn milde gunstbewijzen,
Zijn wonderen, Hem ter eer
Voor 't gansche menschdom prijzen.”

D. (Dordrecht) D. B.

P.S. Dit stukje is nog geschreven door onzen onvergetelijken broeder Ds. M. den Boer, vóór zijn laatste ziekte. Wie den overledene heeft gekend, kan er zijn geest nog in vinden. Graven in den akker van het Woord was zijn lust. Een arme zondaar en een rijke Christus kenmerkte zijne prediking,
Afkeerig van alles wat hoogdravend is, legde hij zich steeds er op toe om in alle eenvoudigheid, maar ook in alle ernst een getuige van Christus te zijn.
Zij, bij de intrede van dit jaar, „Sions Pelgrim” nog velen tot raad en troost, alsmede tot een dankbaar aandenken voor de gave, in dezen dienaar geschonken.

Red.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Sions Pelgrim

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken