Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kerk en Staat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kerk en Staat

4 minuten leestijd

In de Heraut is een strijd gevoerd tusschen prof. van Brakel, hoogleeraar aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam, en prof. H. H. Kuyper, hoogleeraar aan de Vrjje Universiteit. De strijd liep over het aantal studenten, dat er aan de verschillende Universiteiten in ons vaderland in de Theologie studeert. Daarbij had prof. van Brakel wel een weinig met cijfers gegoocheld, zoodat de de Gemeentelijke Universiteit in dit opzicht nog al een dragelijk figuur maakte, terwijl de Vrije Universiteit er volgens die zelfde opgaaf niet al te best bij stond. Nu is het mij volstrekt niet te doen om dezen strijd, maar wel om het verschijnsel, waarop deze strijd zoo scherp de aandacht heeft gevestigd. Cijfers zijn droog, maar zij kunnen in sommige gevallen welsprekender zijn dan ellenlange redeneeringen. Ik zou zeggen, dat dit van deze cijfers geldt, want zij hebben ons overtuigend doen zien, dat het getal dergenen, die in de Theologie studeeren, bestendig afneemt. Ik neem hier eenige cijfers over, waardoor deze gestadige afname afdoende wordt aangegeven.
Voor 't eerst ingeschreven:

Gem. U. Leid. Utr. Gron. V. U. Kamp.
1906-07 6 13 47 8 3 4
1907-08 5 19 46 9 10 9
1908-09 14 17 44 9 6 6
1909-10 6 16 32 10 6 10
1910-11 5 11 39 10 5 2
1911-12 7 10 23 6 10 5
1912-13 9 24 18 10 12 2
1913-14 9 8 24 3 13 9
1914-15 8 9 26 3 10 11
1915-16 5 10 12 7 4 6

Die zich, de moeite gunt dit staatje aandachtig te bestudeeren, komt tot de opmerking, dat er in 1906—07 zich voor den dienst des Woords lieten inschrijven 81.

1907-1908 98
1909-1910 96
1911-1912 80
1913-1914 72
1915-1908 61
1909-1910 75
1911-1912 66
1913-1914 62
1915-1916 44.

Nu laten wij de cijfers van 1915—1916 buiten beschouwing, omdat, naar men althans beweert, de mobilisatie daarop invloed heeft gehad. Wij, voor ons, gelooven echter niet, dat dezen invloed groote beteekenis mag worden toegekend, althans niet zoo groot, dat daaruit het verschil tusschen 62 en 44 zich laat verklaren. Maar aangenomen, dat de mobilisatie wel eenigen invloed hoeft gehad, dan staan wij met deze cijfers voor oogen voor een zeer bedenkelijk verschijnsel. Tusschen de jaren 1907 — 1911 gingen er gemiddeld per jaar 80 studeeren. 1911 — 1912 daalde dit eensklaps tot 61. Den daarop volgenden cursus herstelde zich dat getal weer tot 75, maar om den daarop volgenden cursus weer te dalen tot 66 en verder te verminderen tot 62 en 44. Hier is iets niet in dun haak, en het is begrijpelijk, dat er van verschillende zijden op dit verschijnsel de aandacht gevestigd en naar de oorzaken daarvan is onderzocht geworden.
Twee verdere feiten dringen zich dadelijk bij dit onderzoek aan ons op. Ten eerste dat deze teruggang in het aantal theologische studenten niet uitsluitend ons land betreft, maar dat hetzelfde verschijnsel zich eveneens voordoet in andere landen. In Duitschland, Engeland en Amerika wordt hetzelfde waargenomen. Ook daar een in 't oog springenden achteruitgang, die velen met bezorgdheid doet vragen: waar gaan wij heen?
Maar hier is nog een tweede. En dat is dit. Dat in de laatste jaren het aantal dergenen, die in de exacte wetenschappen is gaan studeeren, in de zelfde mate is toegenomen, als het getal der in de Theologie studeerenden is achteruit gegaan.
Te zeggen, dat de achteruitgang in theologische studenten uitsluitend moet worden gezocht in het feit, dat het predikambt het minst gesalarieerde is van alle andere betrekkingen, houdt geen steek. Wel is het er zonder twijfel van invloed op. 't Gaat toch niet aan, dat zelfs menig hoofdonderwijzer te platten lande meer en dikwijls zelfs heel wat meer verdiend dan de predikant. De tractdmenten van een aantal predikanten behoeven met het oog op de dure tijden dringend herziening. Een predikant, die in dezen tijd mee zijn huisgezin van ƒ 1000 per jaar moet rondkomen en geen middelen van zich zelf bezit, heeft het niet breed. Die het altaar bedient, moet ook van het altaar leven. Hij mag geen gebrek lijden. Hij mag ook geen schulden maken. En al zai iemand, die ƒ 1000 per jaar verdient van gebrek niet omkomen, er is hier ook nog een ander gebrek, waarvan de gemeente zelf de gevolgen ondervinden zal. Wanneer een predikant ten gevolge daarvan zuchtende zijn arbeid verrichten moet, is hij niet de moedige, opgewekte prediker, die het Evangelie eischt. Ik weet wel, dat er in de gemeenten heel gemakkelijk over deze dingen geredeneerd wordt, maar met deze redeneeringen wordt de predikant niet van zijn financiëele zorgen bevrijd. Het gevaar is zelfs groot, dat wanneer de predikant deze redeneeringen hoort, hij er nog zwaarder door gedrukt wordt. Toch geloof ik niet, dat dit de oorzaak van deze achteruitgang is. Hier is eene andere en wel eene dieper liggende oorzaak.

L. (Leiden) J.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Kerk en Staat

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken