Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (XXX)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (XXX)

5 minuten leestijd

En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. Rom. 14 : 23b.

Wij haalden in ons vorig stuk aan het reglement van 1,852. Niet zonder reden: Immers wat in 1852 is geschied logenstraft de bewering der doleerenden, dat organisatie en kerk niet één, maar twee zijn. Algemeen mag als bekend worden geacht, hoe bij Koninklijk besluit van 7 Jan. 1816 in zake de kerkelijke aangelegenheden is gesanctioneerd, een „Alge-meen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.” Dit reglement ontleende zijn ontstaan aan de Regeering, die in overleg met invloedrijke kerkelijke personen de Herv. Kerk tot een gereglementeerde genootschap verlaagde. Geheel in strijd met het karakter der kerk en met 't Koningschap van Christus had de Staat invloed uitgeoefend op de organisatie en inrichting der kerk en was de vorst des lands tot opperste bisschop aangesteld, van wiens „jubeo” (ik beveel) en, veto” (ik verbied) alles afhing. Deze reglementaire organisatie nu is het juk dat afgeschud moest worden, was het dwangbuis dat verbrijzeld moest worden. Zij. was in haar ontstaan onwettig en behoorde mitsdien niet tot de kerk. Maar hoe schoon dit liedeke der doleantiemannen ook klonk, het gelijkt mij veel op het versje, waarmede een moeder haar kind in slaap zingt. Hoe hoog de doleantietheorie ook idealiseerde, hoe lief haar snarenspel wijd en zijd weerklonk, maar het was een miskenning van den feitelijken toesland, het was een zichzelf in slaap wiegen wanneer men zulk een klove tusschen organisatie en kerk aannam.
Te duidelijker is dit geworden bij de aanvaarding van het nieuwe Algemeene Reglement op 1 Mei 1852. Bij dat reglement werd de band tusschen Staat en Kerk in 1816 nog al zeer nauw aangehaald, wat losser, en trok de overheid zich voor 't grootste gedeelte. terug.
Kerk en organisatie werd toen al duidelijker als een eenheid openbaar, wijl het niet gelijk in 1816 de overheid maar wel ter dege de kerk zelf, was die in 1852 haar eigen levensregel heeft gesteld en een organisatie naar eigen wensch en inzicht heeft gemaakt.
Wel wordt dit door Mr. Fabius hoogleeraar aan de vrije universiteit in zijn werk „het reglement van 52” ontkent, en stemmen wij hem volkomen toe, dat men ook 't reglement van 52 moet beoordeelen in 't licht van dat uit den jare 1816, maar dat doet aan de zaak zelf niets af, dat de Herv. Kerk in 1852 vrijwillig de organisatie heeft gesanctioneerd, nadat zij haar op menig punt had herzien. Toen bij Ministerieel schrijven van 1 Juli 1842 de verklaring was gedaan, dat de kerk haar eigen zaken zonder eenige inmenging der regeering kon afdoen, heeft van dien tijd aan het genootschap een meer zelfstandige positie tegenover den Staat ingenomen en vrucht daarvan was 't reglement van 52.
Hoe vrijwillig de Kerk toen de organisatie heeft gemaakt kan blijken uit het daareven genoemde Ministerieele schrijven aldus luidende, „dat het, noch met de bepalingen der Nederlandsche grondwet, noch met de bedoelingen der Regeering zou overeenkomen, dat dezelve zich eenig jus in sacra zoude aanmatigen, noch eenig jus circa sacra uitoefenen buiten de bestaande reglementaire verordeningen en algemeene bevoegdheid en verplichting der Regeering om te waken over de goede orde en veiligheid van den Staat; en dat mitsdien alle veranderingen in de bestaande kerkorde voortaan alleen van de Kerk kunnen uitgaan, buiten eenigen invloed der Hooge Regeering, die, wanneer hare bekrachtiging daarop vervolgens gevorderd werd, alleen zou hebben toe te zien, dat daarbij niets toegelaten werd, strijdig met de grondwet of met de rust en de veiligheid van den Staat.
Mij dunkt dit laat nu niets te wenschen over om te weten hoe vrij het Herv. Genootschap was in zake haar kerkelijke aangelegenheden. Welnu zij heeft die vrijheid bereikt in 't Reglement van 52, waarvan Dr. Vos, de kampioen in den kerkelijken strijd van 86, zeer terecht zegt: De herziene organisatie is zonder protest der kerkeraden aanvaard, door de dienstdoende predikanten gehuldigd en door onderscheidene stemmingen der gemeenten gesanctioneerd. (Zie de tegenwoordige inrichting der Vaderlandsche Kerk door Dr. Vos bladz. 15).
Maar dan is hiermede daghelder geworden, dat het niets dan illusie, fantasie is geweest wanneer de doleerenden beweerden, dat de organisatie het net was, dat over de kerk was geworpen, en mitsdien niet tot de kerk behoorde. Het algemeen reglement van 52 is wel ter dege van de kerk uitgegaan en bij de kostbare procedure door de doleerenden om de kerkelijke goederen gevoerd was het juridisch zeer juist, dat de Rechtbank zich alleen aan' het Reglement van 52 hield. Maar niet alleen historisch-juridisch, ook dogmatisch mist de bewering der doleantie inzake kerk en organisatie alle motief.

A. (Amsterdam) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 3 March 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (XXX)

Bekijk de hele uitgave van Friday 3 March 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken