Bekijk het origineel

Art. 55, Synode 1915 (III)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Art. 55, Synode 1915 (III)

5 minuten leestijd

Een tweede motief tot het scheppen van de bepaling van 1846 inzake het royeeren was voor die Synode gelegen in het bezwaar tegen de censure op zoodanige leden. Wie A zegt, zegt het spreekwoord, moet ook B zeggen. Dat wil in dit geval zeggen, dat, wie met de censure begint, ook moet voortgaan, — indien het noodig is, tot de afsnijding met het formulier van den ban.
Dit afsnijdings-formulier nu luidt:
„Daarom wij, Dienaars en Voorstanders der gemeente Gods alhier, vergaderd zijnde in den naam en de macht van onzen Heere Jezus Christus, verklaren voor u allen, dat N. N. om de voorzeide oorzaken uitgesloten is en wordt uitgesloten mits deze buiten de gemeente des Heeren en vreemd is aan de gemeen schap van Christus, van de Heilige Sacramenten en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij aan Zijne gemeente belooft en bewijst, zoolang hij hardnekkig en onboetvaardig blijft in zijne zonden.”
Kan, zoo vroeg de Synode van 1846 zich af, deze afsnijding toegepast worden op leden der gemeente, die geheel en al vereenigd zijn met de leer onzer Gereformeerde belijdenisschriften en in hun wandel onberispelijk zich betoonen, doch bij andere Gereformeerde groepen, zooals bij Ds. Ledeboer of Ds. Smit ter kerk gaan, of met een „ouden schrijver” tehuis zitten, maar toch zichzelf niet willen onttrekken aan de kerk door mondeling of schriftelijk hun lidmaatschap op te zeggen? Kan de Synode besluiten op dergelijke, zeg onkerkelijke, maar toch dikwijls godvreezende menschen, den ban toe te passen en te verklaren met het formulier „dat zij vreemd zijn aan de gemeenschap van Christus en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods? „Neen” zeide de Synode terecht, zulke menschen mogen niet als „hardnekkige en onboetvaardige zondaren” afgesneden worden. En toch, indien op de zulken, wegens verzuim der openbare godsdienstoefeningen, de censure wordt toegepast, moet dit tot afsnijding of ban leiden.
Wat de Synode deed huiveren en ongetwijfeld nog zal doen huiveren is dat volstrekte, dat absolute, dat verbannende als er immers verklaard wordt in het formulier dat zulk een onkerkelijk lid der kerk „vreemd is aan de gemeenschap van Christus en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods enz., zoolang hij hardnekkig en onboetvaardig in zijne zonde volhardt.” Zulk eene uitspraak past wel op een lid, dat goddelooslijk in de zonde leeft en aan de vermaningen der kerk geen gehoor geeft, ja er zich zelfs tegen verhardt en ook op ben lid, dat de waarheid Gods loochent en afwijkt tot een leer, die in strijd is met Gods Woord, want een kettersch mensch moet verworpen worden, maar niet op bovengenoemde onkerkelijke leden.
Buitendien, wat is de beteekenis van de afsnijding met het formulier? Volgens de gemeenschap der heiligen, waarom zulk een afgesnedene volgens het formulier moet gehouden voor een heiden en tollenaar, naar het bevel van Christus, die zegt, in den hemel gebonden te zijn al wat Zijne Dienaars binden op aarde. Onze Catechismus noemt den ban een „uit de Christelijke gemeente en van God zelven uit het Kijk van Christus gesloten worden.” Volgens den Catechismus houdt dus de afsnijding in zoowel een bannen uit de Kerk op aarde door de kerk, als een uitsluiten uit het koninkrijk der hemelen door God zelf. Ursinus verklaart dit in zijn Schatboek aldus: „Er is tweeërlei gemeenschap der geloovigen onder elkander. Een innerlijke, waardoor zij door de kracht des Heiligen Geestes niet alleen met de uitverkorenen als leden met ledematen, maar ook met het Hoofd der Kerk Jezus Christus vereenigd worden.
Eene uiterlijke, waardoor zij te samen de Sacramenten deelachtig worden en voor lidmaten der gemeente gehouden worden. Uit de eerste gemeenschap werpt de gemeente geenszins den gebannene, maar God alleen, om der zonde wille; maar van de tweede sluit de gemeente uit, alzoo nochtans, dat, tenzij de afgesnedene zich bekeere, 't geen door de Kerk uitgesproken is, in den hemel vast en bondig zal wezen. Matth. 18:18 „Al wat gij binden zult op de aarde, zal in den hemel gebonden wezen. Daarom moet het oordeel der kerk niet gering geacht, want het is niet anders dan eene uitspraak van Gods vonnis.
Waar dus de afsnijding of ban zulk eene ingrijpende beteekenis heeft, is het verstaanbaar en zelfs goed gezien van de Synode van 1846, dat zij deze tuchtoefening niet toegepast wilde zien op leden „die de openbare godsdienstoefening in de Christ, Geref. gemeente nalaten, zonder overigens af te wijken in leer of leven.” Doch wat dan te doen met zulke leden? Hierop antwoordde de Synode: royeeren of schrappen als lidmaat na verloop van één jaar. Of dit laatste juist is, gaan wij nu bezien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1916

De Wekker | 6 Pagina's

Art. 55, Synode 1915 (III)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1916

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken