Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (XXXIV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (XXXIV)

5 minuten leestijd

En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. Rom. 14:23b.

Kent gij 't antwoord, dat Dr. Kuyper gaf toen de Synode te Assen 1888 voet bij stuk hield en eischte, dat geen tegen kerken meer zouden worden opgericht? Wie dat antwoord leest moet zich bedroeven over zoovele kinderen der Scheiding, die zich zulke taal hebben laten welgevallen bedroeven over zoovele ambtsdragers uit de Chr. Ger. Kerk, die geen zuivering van deze blaam hebben geeischt maar verzot op vereenigen alles maar als zoete koek wilden slikken. De vaderen der Scheiding hadden een beter voorbeeld aan zoovele ontrouwe zonen gegeven, toen zij eens in een dergelijk geval als in '86 hebben gezegd: met u zoolang gij op dat standpunt blijft staan, geen vereeniging. Het was in de dagen van de kwestie Brummelkamp, die doleantie neigingen vertoonde, maar die met mannen te doen had, die hun beginsel niet voor een schotel moes wilden verkoopen. Maar men had, tijdens de doleantiebeweging van '86 weinig mannen meer van „sta vast” gelijk weleer in 1851, want anders had men onmogelijk de bittere pillen kunnen slikken, die in die dagen werden bereid.
De Synode te Assen had onvoorwaardelijke verklaring gevraagd, dat zij de Scheiding van 1834 erkennen als geschied te zijn in gehoorzaamheid en in overeenstemming met Gods Woord en daarmede ook de plaatselijke gemeenten der Christ. Gereformeerde Kerk erkennen als wettige openbaring van het lichaam van Christus en zij mitsdien geen gemeenten meer zullen organiseeren daar waar reeds een Ohr. Geref. gemeente bestond. Zie dat was taal den zonen der scheiding waardig, en waar de Christ. Geref. kerk nog immer in dit teeken der Synodale besluiten van Assen staat, vragen wij met heilige nadruk, wie zijn er dan toch veranderd — wij, of zij, die 1892 met de doleantie groep arm aan arm meehuppelden onder het zingen van dat aloude kerklied „Ai, ziet hoe goed, hoe liefelijk is 't, dat zonen van 't zelfde huis, als broeders samen wonen.”
Want dat er na deze Assensche besluiten een wijziging, een principieele keer in de situatie gekomen is, staat vast. Of men de oogen der gemeente al geblinddoekt heeft en gezegd en gesust, „daar is niets veranderd, alles is gebleven zooals het was”, dat doet aan 't feit niets af, dat het afscheidingsbeginsel ter wille der vereeniging wel is verwaterd, verkraoht, verlamd, op laatst begraven. Had de meerderheid in de Chr. Geref. Kerk het standpunt op de Synode te Assen ingenomen, niet laten varen, van eene vereeniging ware nooit iets gekomen. Dat standpunt bad zij nooit mogen prijs geven wilde zij niet schuldig staan tegenover haar eigen belijdenis en tegenover het pand dat haar onder Gods bestel door de vaderen was overgeleverd.
Men heeft gezegd: maar dan had de Vereeniging nooit haar beslag gekregen, 't Zij zoo, als men dan maar niet vergeet, dat daarvoor de Chr. Geref. kerk niet aansprakelijk was. Den doleerenden was de rechte weg ter vereeniging op de Synode van Assen gewezen, wilden zij dat niet, dan waren alle gevolgen voor rekening van hen, die wel langs zijwegen, maar niet langs den rechten weg wilden gaan. Dan bleef er voor de Christ. Geref. Kerk niets anders over dan in de mogendheden des Heeren de waarheid van haar beginsel te openbaren, geloovende, dat het niet door kracht òf geweld òf hoog en laag kerkelijke politiek maar door den Geest des Heeren zal geschieden wanneer de verstrooide leden van 't lichaam van Christus, weder in de heilige openbaring van dat lichaam zouden worden gebracht. Doch daarvan wilde men niet weten. Liever met een heilig beginsel gesold, dan de Vereeniging te laten afspringen.
Tegenwoordig maakt „de Wachtergroep” in de Gereformeerden Kerken zich zoo druk voor het beginsel van Opleiding door de Kerk. Dat beginsel drijven ze op de spits, maar zij vergeten zeker, hoe zij juist de mannen zijn geweest, die bij de vereeniging in 1892 het beginsel van de Kerk der scheiding hebben prijs gegeven. Als zij opkomen voor een beginsel der Scheiding,. dan komen wij nog altijd op voor het beginsel der Scheiding, en wij zeggen „Brs. en Zs. gij hoort daar niet, gij hoort bij ons!”
En als men ons vraagt, zeg dan klaar en kort wat het beginsel der Scheiding is, dan met een heenwijzing naar de Synode van Assen uit 1888, zij ons antwoord: „de erkenning van de Chr. Geref. Kerk als wettige openbaring van het Lichaam van Christus.” Hoe..... is het verkrachten van dat hoog heilig beginsel niet veel ernstiger dan het beginsel waarvoor nu „de Wachtergroep in de Geref. Kerken in 't vuur gaat. Het beginsel van eigen Opleiding wil men tot geen prijs zien aangerand, 't Zij zoo, maar het beginsel der Scheiding lieten juist zij vertrappen — wij niet. En wat weegt hier nu zwaarder? Hoe men dit beginsel heeft aangerand en vernietigd, wordt duidelijk uit Kuyper's Philippica tegen de besluiten van Assen, waarop wij in een volgend stuk hoopen te wijzen.

A. (Amsterdam) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 7 April 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (XXXIV)

Bekijk de hele uitgave van Friday 7 April 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken