Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (XXXIX)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (XXXIX)

4 minuten leestijd

En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. Rom. 14 : 23b.

Wanneer wij enkele artikelen wenschen te schrijven over het staatsrecht-standpunt der kerk, dan denke niemand, dat wij de verhouding van kerk en staat in 't algemeen op 't oog hebben. Zulk een omvangrijke en moeilijke studie vol splinterige kwesties en lastige problemen eischt meer tijd dan waarover in den regel een Chr. Geref. dominee beschikt. Wij bedoelen alleen de verhouding der Chr. Geref. Kerk tegenover den staat in verband met het reglement van 1869. Bekend mag geacht, dat onze kerk door dat reglement bekend staat bij de hooge Regeering, en evenzeer bekend is het, hoe de Doleerenden heftig tegen dat reglement zijn uitgevaren. Het was nog niet genoeg, dat de Christ. Geref. Kerk krank was in den levenswortel, dat haar afscheidingsstandpunt door de belijdenis werd veroordeeld, maar ook haar staatsrecht-standpunt deugde evenmin. Op die manier deugde er van de Christ. Geref. Kerk naar doleerende zienswijze feitelijk niets. Gewogen op de schalen der Gereformeerde belijdenis was zij teveel verloopen in uitwendigheden. Op het standpunt der afscheiding had men de Herv. Kerk veel te uitwendig en te reglementair, zonder piëteit of hoogere liefde beschouwd; dacht men aanstonds aan zijn reisvalies en zag elk oogenblik tot afreizen gereed.
Vandaar dat Dr. Kuyper durfde schrijven, dat de teederste en best onderleide kinderen Gods, die vromer en dieper leefden, van de kerk der Gescheidenen terug bleven. Maar het was nog niet genoeg dat haar geloofsstandpunt niet innig, niet teeder, niet diep genoeg was. Ook wat haar optreden in de sfeer van den staat betrof was ten eenemale ongereformeerd. Immers die Kerk der Scheiding boog zich onder het collegialistische juk van 69. Vóór dat doleantie uitbrak was er nimmer aan het reglement van 1869 getornd. Van 1870 tot 1886 had de Christ. Geref. Kerk onder dit reglement geleefd en er nooit het minste nadeel van ondervonden. Maar in 86 begon de doleantie het operatiemes in het lichaam der Christ. Geref. Kerk te zetten en werd ook het reglement aan een strenge kritiek onderworpen.
Door dit reglement had de Christ. Geref. Kerk het beginsel van het synodaal-presbyteriaal kerkrecht losgelaten en het collegiale kerkrecht aanvaard, en nu deden de Doleerenden al hun best om deze collegiale en hierarchische uit was weg te snijden.
Met voorliefde en niet zonder verhoogden nadruk sprak Dr. Kuyper in die dagen van „het statuut van 69”. Gelijk elke vereeniging of genootschap haar reglementen of statuten heeft, zoo had ook de Christ. Geref. zulk een statuut. Maar waarom die qualificatie met zoo groote nadruk gekozen? Dit nu is licht te doorzien als ge even indenkt wat ge onder een statuut hebt te verstaan.
Een statuut is grondslag van rechtspersoonlijkheid eener corporatie in de sfeer van den staat. Wordt nu deze grondslag of dit fondament ingetrokken, dan valt daarmede ook de kerk in rechten weg en houdt zij op te bestaan.
Neem het fondament van een huis weg, en het geheele huis stort ineen, gij houdt slechts brokstukken of liever nog een ruïne over. Is dus het reglement van 69 een statuut, dan viel bij de intrekking van dat statuut in 1891 ook de Christ. Geref. Kerk in rechten weg.
Geen wonder, dat de doleerenden met alle kracht tegen.dat reglement ageerden, en dat deszelfs opheffing voor hen van overwegende beteekenis was. Daarmede behaalden zij een tweeërlei voordeel. Ten eerste waren dan niet de afgescheidenen, maar de doleerenden de wettige voortzetting der Geref. kerken in de rechtssfeer van den staat. Ten tweede waren zij bij de vereeniging meer verzekerd van de stoffelijke goederen der Christ. Geref. wanneer dat gevreesde reglement eerst de wereld uit was.
Maar is dat reglement van 69 nu toch zulk een groot kwaad? Is dit nu werkelijk in Iijnrechten strijd met 't presbyteriale kerkrecht en mitsdien met Gods Woord? Heeft nu werkelijk de Chr. Geref. Kerk de collegialistische vlag zoo hoog in top geheschen, toen zij dat reglement bij de Regeering heeft ingezonden.
En staan wij nog altijd op dat ongezonde, onschriftuurlijke, ongereformeerde standpunt, die als kerk door dit reglement bij de Regeering bekend zijn?
Ik wil een poging wagen om dit vraagstuk tot zijn juiste proportie te brengen. Het gaat met 't reglement van 69 als met elk ander geschrift zelfs ook met den Bijbel… wat men met een vooropgestelde meening er in zoeken wil, dat kan men er in vinden.
Maat hij nuchtere beschouwing en herlezing van dit reglement is het mij toch gebleken, dat vele (ik zeg niet alle) bezwaren daartegen ingebracht, een spinrag en niets meer zijn te noemen.

A. (Amsterdam) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (XXXIX)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken