Bekijk het origineel

Brieven uit het Zuiden (XXIV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Brieven uit het Zuiden (XXIV)

1916

5 minuten leestijd

Rondom ons woedt de oorlog voort. Te water, te land en uit de lucht wordt van alle kanten met groot geweld de strijd voortgezet. Nu wordt van de eene en dan weer van de andere zijde wat meerdere of wat mindere overwinning gemeld, maar nog niets dat aan een eindbeslissing doet denken. Ons werelddeel wordt zoodoende half uitgemoord. Vreeselijk is het oordeel Gods dat op de volken rust. En allervreeselijkt is, dat Gods hand en regeering daar niet in gezien en erkend wordt. In ons land, tot hiertoe nog genadig van oorlog vrij gebleven, wordt het rumoerig. Hier en daar worden bewegingen op touw gezet, die veel gelijken op een voorbereiding tot revolutie. De ongehoorde stijging van alles, zelfs van voorname voedingsmiddelen is daarbij aanleidende oorzaak. Als, gelijk de vorige week, de prijs der aardappelen tot 8 à 9 gulden per mud wordt opgedreven is dat ook geen kleinigheid, En als men dan hoort, zooals dit gedurig bewezen wordt, dat hier en daar groote voorraden worden ingehouden, om nog maar meer te kunnen schrapen en woekeren, is dat meer dan erg. Gelukkig, dat de regeering schijnt te doen wat zij kan om hier paal en perk aan te zetten. Men heeft echter zooveel vee en andere dingen laten uitvoeren, dat de gevolgen daar nog lang van zullen gevoeld worden. In menig burger gezin wordt thans meer geleden dan velen wel denken. Het kan niet anders, hoe langer die vreeselijke oorlog duurt, hoe banger de tijden, en hoe moeielijker het leven zal worden. Het eene staat met het andere in verband. Daarbij zijn er voortdurend machten onophoudelijk aan het werk, om het volk op te winden, den revolutiegeest aan te kweeken, en ons volk hoe langer hoe meer van God en van Zijn Woord te vervreemden.
De menschen willen alleen leven om te genieten. Maar ongelukkig, men zoekt zijn genot buiten God, Terwijl een eeuwenlange geschiedenis geleerd en bewezen heeft waar dit steeds op uitloopt. Die God verlaat heeft smart op smart te vreezen. Iemand in het groote Amerika merkte dezer dagen zeer terecht op: „Het goud dat van alle kanten ons land binnenstroomt, dreigt de vloek te worden voor Amerika.” En inderdaad men kan zich ook daar spiegelen aan die Europeesche landen, die een tijd lang in weelde en overvloed hebben gebaad. Met schaamte en schande moet worden erkend, dat weelde en groote welvaart vele volken aan den rand van den afgrond heeft gebracht. Vluchtelingen uit België, om niet meer te noemen, hebben herhaaldelijk in ons land de verklaring afgelegd, dat de goddelloosheid en de zedeloosheid onder hen zulk een hoogte had bereikt, dat het zoo niet langer kon.
Aan allerlei hemeltergende gruwelen, zoo lang geduld en verdragen, komt eenmaal een einde. Allo valsche wijsbegeerte lijdt schipbreuk. Niet menschen regeeren de wereld, maar God. En nu zien we met allen die het zien willen hoe vreeseljk het is, als God de Heere zich in Zijne heiligheid en rechtvaardigheid openbaart. Een oud, waardig en ervaren christen hoorde ik dezer dagen de juiste opmerking maken: „niet Duitschland, Rusland, noch Engeland, neen God heeft den oorlog verklaard.” En nu zal het diezelfde God zijn, die de oorlogen doet ophouden. Menschen kunnen dit niet. En zoolang God de Heere niet tusschenbeiden komt zal men aanhouden met verwoesten en uitmoorden. Ontzettende werkelijkheid: als wilde en ver scheurende dieren vallen menschen, die elkander nooit gezien, nooit eenig kwaad gedaan hebben, elkander aan. Met de geestelijke belangen der volken is geen rekening gehouden. Het volk in massa, is losgemaakt van God en nu is het tot alle wreedheid bereid. Tegenover al die ellende is de vraag: wat raad? Verootmoediging voor God, schuldbelijdenis en wederkeeren tot den God onzer Vaderen, en dan is het Gods belofte, ook aan een schuldig en zondig land en volk gedaan: „Keert weder”, zegt de Heere, „en Ik zal uwe afkeeringen genezen.” Het gebed des rechtvaardigen vermag veel. Op Elia's gebed, werden de gesloten wolken geopend, nadat het in 3 jaar en 6 maanden niet had geregend.
Wat was hot toen ook een bange tijd. De God van Elia is de Onveranderlijke. Vragen dan allen, die bidden hebben geleerd: Gaat mij de ellende des volks wel ter harte F Doet de miskenning van God en de verwerping van Christus, ook smarte aan? Is er iets van dien Pinkster Geest in mij werkzaam, of is het van binnen soms: Ben ik mijns broeders hoeder? We lezen van een volk, waar de Heere van getuigt: „zij deden den lande geen behoudenis aan,” Gave God, dat al zijn volk eendrachtelijk in gebed en smeeking kwame voor Hem, dan zou blijken als in de dagen van weleer, waar we van lezen: „Op uw noodgeschrei deed Ik groote wonderen.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Brieven uit het Zuiden (XXIV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken