Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gelooven en belijden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gelooven en belijden

11 minuten leestijd

„Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid.” Romeinen 10:10.

Spreekwoordelijk zegt men in het dagelijksche leven wel eens in bijzondere gevallen: „het bloed kruipt, waar het niet gaan kan”, en dan weet ieder wel, wat daarmede wordt bedoeld. Wat ons na aan 't hart ligt trekt ons onwillekeurig bijzonder aan. Paulus was, gelijk de man zelf belijdt, een geboren Israëliet. (2 Cor. 11). Daarom smartte het hem zoo zeer dat de tegenstand der Joden tegen het evangelie van Christus zoo groot was, en dat zoo velen onder hen van de rechtvaardiging uit het geloof niets wilden weten. Het was den apostel, gelijk hij zelf in het 9de hoofdst. van dezen brief verklaart, eene groote droefheid en zijn hart een gedurige smart. Zoover gaat zelfs zijne liefde en zijn apostolische ijver, dat hij verklaart: „ik zou zelf wel wenschen verbannen te zijn van Christus voor mijne broederen, die mijne maagschap zijn naar het vleesch”.
Vraagt ge nader: waarom toch? dan antwoordt Paulus met te zeggen: „zij hebben eenen ijver tot God, maar niet met verstand. Want alzoo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten, zoo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen”. Zij verstonden niet, dat Christus het einde der wet is een iegelijk die gelooft.
Het is niet de vraag, wie tot de hoogte der hemelen kan opklimmen, noch ook wie in den afgrond kan nederdalen, maar de vraag is: verstaat men het woord des geloofs zooals dit ook door Paulus werd gepredikt. Dan is het niet alleen de vraag, in betrekking namelijk tot onze eeuwige behoudenis, of men alleen met den mond belijdt, maar ook of men met zijn hart gelooft. Ter nadere verklaring en opheldering hiervan dienen dan de woorden: „Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid”.
Gelooven en belijden behooren, in goeden zin genomen, bij elkaar, maar moeten desniettemin wel onderscheiden worden. En allertreurigst is de openbaring waardoor helaas zoo velen zich onderscheiden, namelijk van hen die wel met hun mond belijden, maar niet met hun hart gelooven.
Zeer goed weten we, dat het noch ons, noch iemand vrijstaat om te oor deelen over hetgeen al of niet in iemands hart is. Alleen de Heere onze God is alwetend, die aller hart kent en doorgrondt, en die aller menschen overleggingen verstaat, zoo zelfs, dat God het weet eer er nog een woord op onze lippen is. Maar we weten ook, dat de mensch in wiens hart het geloof is gewerkt door den Heiligen Geest, hetzij dan in meerder of in minder mate, dit naar buiten zal openbaren. Wie toch zal vuur in zijn boezem dragen zonder zich te branden. Waar geloof is, daar is liefde, en liefde kan zonder openbaring niet gedacht worden.
Veel, o zoo veel kan met den mond worden beleden. Verbaasd kan men er over staan, hoever het verstand, ook in onbekeerde menschen, kan gaap. Komen daar dan nog andere, soms zeer schoone gaven bij, gelijk bij een Bileam en anderen, dan verwondert het ons niet, dat eenvoudige, weinig geoefende Christenen, dezulken vaak voor oprecht geloovigen aanzien. Leest echter 1 Cor. 13 en daar hoort ge een Paulus getuigen: al sprak iemand de taal der engelen, en al bezat men alle gave en wetenschappen, en al had men daarbij nog een geloof, dat bergen kon verzetten, en men had de liefde niet, dan ware men nog slechts aan een klinkend metaal en aan een luidende schel gelijk. En nu is het volkomen waar dat men met den mond ter zaligheid belijdt, maar daarbij is het altijd de vraag of die belijdenis de vrucht is van een helder en ontwikkeld verstand, of dat het de vrucht is van het werk des Heiligen Geestes in ons. Niet ons hoofd maar ons hart is, gelijk de ouden dit uitdrukken, de zitplaats van het geloof. Daarmee zeggen we volstrekt niet, dat de Heilige Geest, buiten het verstand van den mensch om werkt, want we lezen in vs. 17 nadrukkelijk, dat het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods.
God de Heere bewerkt den mensch niet als hout en steen, maar als een redelijk schepsel. Is belijden alleen met den mond ongenoegzaam tot Zaligheid, als dat gepaard gaat met, — en een vrucht is van, — hetgeen men met zijn hart gelooft, dan is de zaligheid der zoodanigen zeker. Daarvan kan gezegd worden: vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard. Daaruit blijkt dan ook, wat voor geheel de wereld, wat voor menschen en engelen onmogelijk is, dat is niet onmogelijk voor den Heiligen Geest, die alle dingen werkt naar Gods wil en welbehagen.
Wie, zoo mogen we wel vragen, was daar treffender voorbeeld van dan Paulus zelf? Wat de man nooit had kunnen denken, dat gebeurde: de vervolger van Christus werd een prediker van den eenigen Naam onder den hemel tot zaligheid geopenbaard.
Tijdens Christus' omwandeling op aarde was allerwege gebleken hoe het farizeïsme zich ergerde aan den persoon, en zich verzette tegen de leer van Christus. Daarbij kwam het sadduceisme, dat van geen opstanding der dooden wilde weten. Men had Christus wel een gouden kroon willen geven indien Hij zich als een aardsch koning had laten kroonen, maar men verstond niet dat Hij een geestelijk en een eeuwig koning is, wiens koninkrijk niet is van hier. Bij het optreden der apostelen kwamen dezelfde beginselen voor den dag. Zou nu een geboren Israëliet, in waarheid in den Christus der Schriften gelooven, dan moest al dat blind vooroordeel worden vaarwel gezegd, dan moest men gelooven, dat Jezus is de Christus, de Zoon des levenden Gods, die gekruist en gestorven is, maar die ten derden dage uit de dooden is opgestaan. Dan eerst was het mogelijk om te verstaan, waar Paulus steeds op aandrong, dat de mensch nooit voor God kan gerechtvaardigd worden uit de werken der wet, maar alleen door het geloof in Christus. Dit is, zegt de apostel, het woord des geloofs, hetwelk wij prediken.
Vindt dat woord ingang in ons hart en behaagt het den Heiligen Geest zich daarvan te bedienen, dan gaat in den voorwerpelijken zin ons het licht op over den Middelaar Gods en der menschen. Zijn Middelaarswerk en Zijn Middelaars heerlijkheid zien we dan in een geheel eenig licht. Door Gods Geest aan zijn jammer en ellendestaat ontdekt, wordt dan die Christus, voorwerpelijk in de Schrift gezien en gekend, onderwerpelijk de behoefte en de begeerte onzer ziel, om Hem door 't geloof te mogen omhelzen, en alzoo ééne plant met Hem te worden. En naar mate dat door genade in ons wordt uitgewerkt, zullen we verstaan wat de apostel Paulus in die veelbeteekenende woorden zegt, dat men met het hart gelooft ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt ter zaligheid. Wat ge dan, door Gods Geest onderwezen, met den mond belijdt omtrent de zaligheid waarop ge hoopt, de zaligheid zooals die door God in Zijn Woord is geopenbaard, daar zult ge dan, als het er op aankomt, rekenschap en verklaring van kunnen geven. Of dat in meer of minder woorden geschiedt, of ge daarbij van meer of minder bijzondere gaven doet blijken, doet niets ter zake. De bedeelingen der genade, dat weten we, zijn grootelijks onderscheiden.
Waar het maar op aankomt is dit, dat uw belijdenis in overeenstemming is met de bewustheid, welke ge in uw hart omdraagt.
Dat deed een Petrus op de herhaalde vraag van Jezus: Hebt gij mij lief? antwoorden: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb. Het was alsof de man daarmee zeggen wilde: Heere, lees slechts in mijn hart en dan zult ge met Uw aldoorzienden blik het daarin lezen, dat mijne woorden waarheid zijn.
Het ware, het oprechte geloof is door de liefde werkzaam. Alle andere geloof is dood geloof. Het oprechte geloof is nooit denkbaar zonder voorwerp, en het voorwerp des geloofs is Christus. Door de aannemende daad des geloofs, wordt Christus het eigendom van den zondaar. Met Christus bezit ge niet alleen den Persoon, maar ook al Zijne weldaden, wat nooit van elkander mag gescheiden worden, Uit onkunde geschiedt dit echter nog maar al te veel. De gevolgen daarvan zijn, dat men, den Persoon van Christus, van Zijne weldaden scheidend, veel missen moet en steeds blijft uitzien naar iets dat men nooit bereikt. De Heere geeft zich wel in Zijn weg en naar Zijn Woord te genieten, maar niet naar de zelfgekozen wijze en voorstelling welke daar menigmaal van gemaakt wordt. Vandaar dat de apostel hier zulk een groote zaak aan 't geloof toeschrijft met te zeggen: met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid.
Men versta dat wel. 't Is daarbij niet de vraag of ge gelooft in de rechtvaardigheid Gods, dat is geheel iets anders. Maar de vraag is of ge gelooft in de vergeving der zonde en in uw rechtvaardig zijn voor God louter en alleen om Christus wil. Zie dan komt de bate en vrucht van des Christens geloof in het volle licht. Want als dan in betrekking tot al de heilsweldaden in des Heeren Woord u wordt gevraagd: Wat baat het u dat ge dit alles gelooft, dan kunt en dan moogt ge tot roem van Gods genade antwoorden: dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwigen levens.
Zoo zien we hoe des Heeren Woord een licht is dat alle duisternis opklaart. En waaromtrent bestaat meer en grooter duisternis onder de kinderen der menschen, dan juist omtrent deze allergewichtigste vraag wat een zondaar noodig is om zalig te worden. Wat al dwalingen van leerstellingen en van praktischen aard zijn in omloop! Gode alleen is het bekend hoe velen zullen verloren gaan en voor eeuwig omkomen, die toch zoo vast hadden geloofd het eeuwige leven te zullen beërven.
Daarom is het ten allen tijde zoo hoog noodzakelijk zich zelven te beproeven. Zoo gaarne vleit de mensch zich zelf. Zoo vele zijn de om- en bijwegen, die afwijken van den eenig waren, maar zoo nauwen weg, die ten eeuwigen leven leidt. Zoo vele en zulke ernstige waarschuwingen zijn ons daartoe in Gods Woord gegeven, opdat we met voorzichtigheid zouden wandelen als kinderen des lichts.
Weten en gelooven beteekent in zoo veler schatting hetzelfde. En och, wat kan een mensch veel weten, en toch nog ontbloot zijn van de genade des geloofs. Er zijn menschen, als men hen hoort spreken, dan zoudt ge onwillekeurig denken met oprechte kinderen Gods te doen te hebben. Maar als ge dan hun wandel ziet en kent, dan beeft, dan verschrikt ge, gedachtig aan de onbedriegelijke en onwederlegbare uitspraak des Heeren, dat aan de vrucht de boom wordt gekend, 't Is wel waar, dat ook een voor God gerechtvaardigd zondaar, in zich zelven aangemerkt nog een zondaar is, die op zijn sterkst genomen nog maar een klein beginsel heeft van de gehoorzaamheid welke wij aan God verschuldigd zijn, maar daar gaat het nu niet om, We spreken thans niet meer over het meer of minder heilig zijn van den waren Christen, maar over de vraag: wat de grond onzer hoop, de grond onzer zalige verwachting moet zijn. Of wilt ge met andere woorden: hoe we alleen rechtvaardig voor God kunnen zijn. De oorspronkelijke gerechtigheid, waarin God den mensch heeft geschapen, ging in en met de bondsbreuk van Adam verloren. Zonder gerechtigheid kan geen zondaar voor God bestaan.
Daarom moeten we nu één van beiden: Of zelf gerechtigheid verwerven, wat door onze geestelijke onmacht onmogelijk is, óf we moeten de gerechtigheid hebben van een ander, namelijk van Christus, welke den geloovigen toegerekend wordt. Door geloovige aanneming wordt Gods kind deze deelachtig, wat een Paulus roemen doet in het geloof en zeggen; „wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus. In dat geloof zien we Joden en Heidenen vereenigd, denzelfden Christus belijden, liefhebben en eeren, om als levende steenen gebouwd te worden tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn, door Jezus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juli 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Gelooven en belijden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juli 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken