Bekijk het origineel

Indrukken en Ervaringen (LXXXVII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Indrukken en Ervaringen (LXXXVII)

7 minuten leestijd

Een tweede bezwaar is de herhaaldelijke afwisseling van troepen, want er is niets zoo onbestendig en afwisselend als het mobilisatieleven. Van daag denkt men in de verste verte niet aan eenige verandering in de legering van troepen, en morgen is alles anders. Onze kantonnementen worden ontruimd, en nieuwe worden belegd, 't Is eenige maanden geleden, dat een battaljons-commandant mij vroeg om een militair tehuis. Ik voldeed aan dat verzoek, en liet met behulp van het Noord-Brabantsche comité daar een tehuis plaatsen dat over de ƒ 1000 koste. Vooraf informeerde ik echter ter bevoegder plaatsen of er geen gevaar bestond, dat het kantonnement spoedig ontruimd worden zou, en daar verzekerde men mij, dat er geen gedachte over was. Het tehuis werd geopend, alles ging best. 't Werd verbazend druk bezocht en wij waren et allen mee in ons schik. Plotseling verneem ik: het kantonnement wordt voor goed opgeheven. Drie dagen later waren de mannen weg en mijn tehuis werd gesloten. 't Moest weer overgeplaatst worden naar een ander kantonnement, wat op ongeveer ƒ 75 te staan kwam, ongerekend de schade, die er door deze verplaatsing wordt toegebracht. Bij tijden zou men dan ook den moed laten zakken, want er is geen ontmoedigender werk dan altijd op nieuw te moeten beginnen, zonder ooit iets behoorlijk te kunnen voltooien. Met dat zelfde euvel hebben ook onze Mil. J. V. te kampen, want het bestuur van een dergelijke vereeniging bestaat niet altijd uit mannen van eenzelfde compagnie. De voorzitter kan van de 1e comp., de secretaris van de 2e comp. en de penningmeester van de 4e comp. zijn. Blijven bij eene verplaatsing de compagnieën nu bijeen, dan gaat alles goed. Maar komt de 1e comp. in het kantonnement X en de 2e in het kantonnement Z, ieder gevoelt dat het bestuur daardoor ontbonden wordt. Hetzelfde geldt van de leden. De leden behooren ook niet allen tot dezelfde compagnie, zoodat bij het uiteengaan van de compagnie ook de leden verstrooid worden. Daarom zou het ideaal zijn dat de Mil. J. V. met afzonderlijke compagnieën werden opgericht. De compagnie vormt eene eenheid, die niet zoo licht verbroken wordt. Maar daartoe zijn onze compagnieën veel te zwak. De Brabantsche en Limburgsche regimenten buiten beschouwing latende, kunnen wij gerustelijk zeggen, dat de helft meestal katholiek. Neemt dan het getal onverschilligen en degenen, die voor het vereenigingsleven hoegenaamd niets gevoelen en ieder zal kunnen begrijpen, dat bet haast niet mogelijk is om eene Christ. M. J, V. uit een compagnie op te richten. Tijdelijk wordt de vereeniging dan ook dikwijls ontbonden en zoodra in een ander kantonnement de mannen weer bijeen zijn, wordt hij opgericht.
En nu nog een derde bezwaar: een geschikte leider te vinden. Want als een vereeniging geen geschikte leider heeft, ia zij het grootste onding dat er ooit kan bestaan; alles hangt van de leider af. Maar vooral geldt dat van een christelijke vereeniging. Dan moet de leider inderdaad een christen zijn. En dat geldt vooral van een Mil. Vereen. Want onze gewone Christ. J. V. hebben gewoonlijk nog eene commissie van advies of de plaatselijke predikant komt er zoo nu en dan eens zien. Maar als onze mannen in Brabant zijn, zijn zij geheel op zich zelf aangewezen. Hier zijn in verreweg de meeste gevallen geen predikanten, die zich met deze vereenigingen kunnen bemoeien. Ook kan er geen commissie van Toezicht worden samengesteld. De veldprediker kan er zich zoo nu en dan eens vertoonen en eens eene vergadering bijwonen, maar dat is feitelijk ook alles, zoodat ieder gevoelt: het komt hier op den leider aan. De leider ia de vereeniging. En nu kom ik nog tot een ander bezwaar, dat in dit verband niet mag worden onderschat: het samenbrengen van meerderen en minderen in een en dezelfde vereeniging. Velen zullen onmiddellijk zeggen: dat heeft niets te beteekenen, want die menschen komen daar niet als meerderen en minderen bijeen; zij komen daar samen als leden der vereeniging. Stellig is dat zoo. Maar als de sergeant daarheen gaat, doet bij zijn strepen niet van de mouwen en als de vaandrig daarheen gaat, legt hij zijn knoopen niet af, en als de officier daar komt, draagt hij zijn sterren. Zij kunnen allen lid der vereeniging zijn, maar zij zijn dat in den rang, die zij op dat oogenblik in het leger bekleeden. In de burgermaatschappij bestaat dat verschil niet. Daar ia stand verschil; het rangverschil is daar totaal onbekend. Maar in het leger kent men geen standverschil; daar ia uitsluitend rangverschil. De zoon van den baron kan daar staan onder den zoon van zijns vaders koetsier, en uit kracht van den rang dien de zoon van den koetsier in het leger inneemt, is deze de meerdere en de zoon van den baron en heeft hem als zijn meerdere te respecteeren. Dat bestaat in het leger, en zonder dat rangverschil zou ik mij geen leger kunnen denken. Er zijn er wol, die beweren dat dit rangverschil kan gemist worden, maar ik behoor tot dezulken niet; voor de tucht en de orde is dit rangverschil in het leger onontbeerlijk. Maar nu doet zich het geval voor — en die gevallen zijn zelfs niet zeldzaam — dat tot leider der chr. U. V. een gewoon soldaat verkozen wordt. Hij kwam toevalliger wijze met. een vaandrig voor deze functie in aanmerking, maar de vergadering verkoos hem boven den vaandrig; bijgevolg komt nu de vaandrig als lid der vereeniging onder leiding van een man, die in bet leger onder zijne bevelen staat, Gevoelt men niet, dat hier eene moeielijkheid schuilt. Die moeielijkheid bestaat natuurlijk niet, zoodra de vaandrig op het moment dat hij de vereeniging betreedt, voor zich zelf afstand doet van zijn rang. Dan zit hij daar wel als vaandrig, maar hg is eenvoudig lid der vereeniging. Maar eerstens is dit niet zoo gemakkelijk als het lijkt en tweedens, al zou de vaandrig dit werkelijk doen, de minderen gelooven dit niet maar blijven in hem den meerdere zien, wiens bevelen zij een of twee uur later onvoorwaardelijk hebben te gehoorzamen. Takt zal hier ontzaglijk veel kunnen wegnemen en opheffen. Maar niet alle menschen bezitten takt. Ook niet alle meerderen. Want takt kan men niet leeren. Men heeft bet of men heeft het niet. Heeft een mindere het niet, dan loopt hij groot gevaar, dat het gezag, waarmede hij bekleed is, door het taktlooze van zijn optreden, door hem zelf tot een bespotting wordt gemaakt. Of bij voelt zich te veel, of hij voelt zich te weinig. Voelt hij zich teveel, dan ia bij ongenietelijk voor zijn minderen. Voelt hij zich te weinig en verliest hg zijn rang uit het oog, de minderen nemen een loopje mot hem. Takt doet bier alleen het juiste midden houden, en zij kan ons, hoewel meerderen in rang zijnde, nogthans tot menschen maken, die zich tijdelijk onder de leiding van minderen kunnen stellen en dat op zoodanige wijze, dat de minderen werkelijk gevoelen, dat wij hunne meerderen zijn.

De Veldprediker

P. S. Op de vergadering van den Bond van Christ. Geref, Jongelingsvereenigingen was besloten de collecte, die gehouden worden zou in de openbare samenkomst, waarin ik als spreker optreden zou, geheel voor de militairen te bestemmen. De opbrengst van deze collecte bedroeg de kapitale som van 90 gulden. Hartelijk dank aan alle bondsvrienden en vriendinnen voor deze milde bijdrage.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Indrukken en Ervaringen (LXXXVII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken