Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (LI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (LI)

4 minuten leestijd

En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. Rom. 14:23b.

Hoe sterk men van doleerende zijde op het reglement van '69 heeft afgegeven, hebben wij nagegaan. De grootste grief was, dat de kerk der Scheiding door zulk een collegialistisch gareel aan den staat was aangespannen, Nu bleek ons, dat het gewraakte collegialisme in de Chr. Geref. kerk een fictie en niets meer was.
Het zal ons echter niet moeilijk vallen aan te toonen, dat 't geen de doleerenden de kerk der Scheiding voor de voeten wierpen, zij veel beter hadden gedaan voor eigen deur te wieden. Immers wanneer wij 't boek der historie opalaan, dan zouden wij eerder den giftigen wortel van 't collegialisme in de doleerende kerken kunnen aanwijzen, dan dat wij een vezel daarvan in de Chr. Geref. kerk ontdekken.
Wat de kerken in doleantie in anderen zoo zeer wraakten en zelf de voordeur uitwierpen, dat haalden zij stillekens de achterdeur weer binnen.
Nu zullen sommigen er een spotlach voor over hebben en anderen. zullen het zeer onnoozel vinden, als wij de doleerende kerken van collegialisme niet vrij achten, maar zulk een onnoozelheid nemen wij voor onze rekening en …. spot is nog immer het kenmerk van zwakheid.
Vraagt echter iemand, maar hoe is dat nu mogelijk? De doleerende kerken, die uit de actie togen 't collegialisme voortgesproten zijn, die zoo stout 't anathema over dit stelsel hebben gesproken, zelf naar die onschriftuurlijke bedding heengetrokken, zelf met den éénen voet in de klem van dit ongereformeerd kerkrechterlijk standpunt? Dat willen wij trachten ons nader te verklaren. Het zij ter herinnering opgemerkt, dat hier ter geding was: 't staatrechtstandpunt der kerk en dat in de sfeer van den staat naar doleerende zienswijze de kerk der Scheiding een collegialistische uitwas bad. Maar wat dan te zeggen van de verhouding der doleerende kerken tegenover den staat, die zoo door on door collegialistisch handelden met eene vereeniging te organiseeren, genaamd „de Kerkelijke kas” en erkenning aan to vragen naar de wet op de vereenigingen van 1855?
Door deze vereeniging of kerkelijke kas stonden de doleerende kerken in contact met de Hooge Regeering om de eigendommen hunner kerkelijke goederen te beveiligen. De uitvinding dezer kerkelijke kas was een meesterstuk en wij willen eerlijk erkennen, dat het geloofsstandpunt van de kerk der Scheiding nooit tot zulke vindingrijke zetten zou kunnen komen.
Het meesterlijke van deze nieuwigheid kwam hierin uit, dat niet de kerk, maar de vereeniging „de Kerkelijke Kas” bezitster en beheerscheres der kerkelijke goederen was, en dat toch die vereeniging niet zelfstandig en willekeurig kon optreden, wijl 't bestuur der vereeniging door de kerk en haar tucht in bedwang werd gehouden. Zoodra als een lid van 't bestuur dezer vereeniging onder kerkelijke sensure werd gezet, hield hij naar luid der statuten op bestuurslid te zijn. Zoo diende hier de kerkelijke tucht als veiligheidsklep om te voorkomen, dat de kerkelijke goederen in vreemde handen zouden overgaan. De kerkelijke kas bad dus dit karakterestieke verschijnsel, dat zij stond naast de kerk en toch ook weer in de kerk, dat is m, a. w. het collegialisme mot de eene hand weggeworpen, en met de andere weer opgeraapt. De doleerende kerken bleken van een beetje collegialisme niet bang, als het haar baten kon of helpen. Dan konden en mochten deze kerken een stel mannen en een groep van personen hebben, die zekere statuten hadden opgemaakt, en als vereeniging zich lieten erkennen, om zoodoende de kerken in rechten te vertegenwoordigen. Wanneer wij nu niet met abstracte theoriën rekenen, maar den feitelijken toestand nemen, wat is dat dan anders dan 't collegialisme ten bate der kerk aanvaarden?
Over die „Kerkelijke Kas” bij een volgende gelegenheid iets meer.

A. (Amsterdam) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (LI)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken