Bekijk het origineel

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (LIII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (LIII)

4 minuten leestijd

En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. Rom. 14 : 23b.

Reeds in ons vorig stuk begon duidelijk te worden hoe „de kerkelijke kas” ook was een openlijk protest tegen de Christ. Geref. Kerk. Dit moet ons nog helderder worden, zullen wij dit zijdelings ageeren te beter gevoelen.
Wanneer een kerk haar goederen in rechten wil beveiligen, dan vindt men in den regel daarvoor een zeer eenvoudige oplossing, en de vraag dringt zich aan ons op, waarom de Doleerenden ook dezen eenvoudigen weg niet zijn gegaan. In de gegeven omstandigheden, gezien de wet van 1853, is de staatsrechterlijke positie eener kerk nu niet zoo moeielijk te vinden. Dat was voor 1853 heel wat anders. Toen moest bepaald, „erkenning” worden aangevraagd; toen was het den staat volstrekt geen onverschillige zaak onder welken naam men wilde erkend zijn; toen waren er nog al wat formaliteiten aan verbonden en nog al wat eischen moest de kerk eerst inwilligen, eer dat de staat de rechtspositie aanvaarde.
Maar nu heeft de kerk zich alleen bij de Regeering bekend te maken on wordt dit als een formeele kennisgeving aangenomen, waarvan afschrift aan de kerk wordt gezonden, zoodat in rechten aanstonds de kerk bij den staat bekend is. Nu is dit de vraag, waarom dan de Doleerenden of Nederd. Geref. kerken zich ook niet als zoodanig bij den staat hebben aangediend maar de toevlucht hebben genomen tot een dergelijke vereeniging „de kerkelijke kas”.
Zouden zij dat gedaan hebben, omdat hier een juridische moeielijkheid zich voordeed?
Immers daar is altijd nog verschil, zelfs onder juristen van naam, wanneer en hoe eigenlijk een kerk rechtspersoonlijkheid verkrijgt?
Zoo betoogt bijv. Mr. Schokking in zijn proefschrift over de wet op de kerkgenootschappen van 1853, dat een kerk, die de bepalingen omtrent haar inrichting en bestuur overeenkomstig de wet aan de Regeering mededeelt, daardoor nog volstrekt geen rechtspersoonlijkheid verkrijgt. Hij stelt zelfs het geval, hoe zich de mogelijkheid laat denken, dat een kerkgenootschap, voldaan hebbende aan art. 1 der wet, door den rechter niet als rechtspersoon wordt erkend en dus in zijne vordering tot een of ander niet wordt toegelaten als de andere, dat het wel in rechten wordt erkend, ofschoon het bij de Regeering nog welbekend is.
Vandaar, dat Mr. Schokking in zijne stellingen o. m. ook deze heeft: „De wet van 10 September 1853 (art. 6, 11, 102) bepaald niets omtrent de rechtpersoonlijkheid der kerkgenootschappen.” Duidelijk is dus, dat de vraag onder de heeren juristen omtrent de rechtspersoonlijkheid eener kerk altijd een dubieuse blijft,
Toch schaar ik mij liever aan de zijde dier rechtsgeleerden, die bewezen, dat de rechtspersoonlijkheid eener kerk altijd beter verzekerd is, wanneer zij bij de hooge Regeering bekend is, dan wanneer zulks niet het geval is. Zij heeft dan toch altijd in rechten dit voor, dat zij niet behoeft te beginnen aan te toonen wie zij is en hoe zij bestaat. Wanneer dus de Doleerende of Nederduitsche Gereformeerde kerken zich naar de wet van 1853 bij de Regeering hadden bekend gemaakt, dan waren haar goederen in rechten beveiligd geweest en hadden zij geen collegialistisch zijpad behoeven te bewandelen en een burgerlijke vereeniging behoeven op te richten. Maar dat was geheel in strijd met de theorethische beschouwing der doleantie-mannen omtrent de kerk. Ook de kerkelijke kas moest tegen de kerk der Scheiding worden uitgespeeld en moest maar de pretentie der doleantie versterken, dat alleen en uitsluitend de doleerende kerken de wettige voortzetting waren van de historische Gereformeerde kerken in Nederland. Al wat van 34 dagteekent was naar doleantiebeschouwing slechts een uitwas aan don stam van het Gereformeerd Kerkelijk leven in ons vaderland, maar was geen scheut uit den wortel. Dan moest ge wezen bij 86. De Afgescheidenen hadden een domme (?) fout gemaakt door zich onder een nieuwen naam, onder afstand van aanspraak op de goederen van 't Herv. genootschap, bekend te maken bij de Regeering. Daardoor hadden zij de historische lijn doorgesneden. Dit wilden tot geen prijs de Doleerenden. Zij hadden een schoonere redeneering; zij hadden een kerkelijke kas; zij hadden …. alles, behalve het geloofsstandpunt van de kerk der Scheiding.

A. (Amsterdam) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 september 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (LIII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 september 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken