Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (LXXIII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (LXXIII)

4 minuten leestijd

En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde, Rom. 14 : 23b.

Neen, dat had de Reformator van Genève nooit kunnen denken, dat hij nog eens zijn zegel zou moeten hechten aan een verbondsleer, die èn anti-schriftuurlijk en anti-confessioneel is. Het heeft mij dan ook grootelijks verwonderd dat de Heraut nog zoo kort geleden haar beschouwing omtrent wedergeboorte met een beroep op Calvijn van 't forum durfde roepen. Zeker, wij zijn er verre van om bij een man als Calvijn te zweren en wij dwepen niet met de wapenspreuk, „wij Calvinisten” maar toch willen wij erkennen, dat Calvijn bij de gratie Gods een gezaghebbend schriftverklaarder is. Niemand heeft zoo diep en zoo daghelder de verbondsgedachte verduidelijkt dan hij. Het is een geheel verkeerde opvatting en geeft blijkt van een zeer oppervlakkige kennis, wanneer men meent, dat eerst in de dagen van Coccejus de verbonds-theologie aan de orde werd gesteld. Niet de 17e eeuw, waarin Coccejus leefde, maar de 16e eeuw, zag het goud der verbondsleer op 't schoonst glanzend. Lees onze formulieren van den Heiligen doop en het He lig Avondmaal, die uit deze gulden eeuw dagteekenen, en de verbondsgedachte is de gouden draad, dien ge altijd terugvindt. Dat nu èn onze formulieren èn onze belijdenisschriften, die toch de banieren voor de gelederen der strijdende kerk zijn, zoo bezielend de verbondsgedachte uitspreken, hebben zij voor een groot deel aan Calvijn te danken. Veel dieper dan Luther en veel rijker dan Zwingli heeft Calvijn de verbondsleer zijn centrale plaats in de Gereformeerde theologie aangewezen. Staat en maatschappij, huisgezin en Kerk wilde hij zien gelegd aan den teugel des verbonds. Het verbond is voor Calvijn maar niet een monument, waarop zijn klassieke geest allerlei schoone inscripties aanbrengt, niet een stuk antiquiteit, doch een steeds levende betrekking tusschen God en den zondaar, waaromheen bij den voortduur de gouden zon van Gods genade haar stralenkrans werpt.
Ik weet wel, dat er een richting is,
ingeluid door wijlen prof. Gooszen, die Calvijn deze eerepalm niet wil reiken, en die in Bullinger, Ursinus, en Olevianus e.a. de vaders van de echt-Schriftuurlijke verbondstheologie zien, maar haar standpunt is toch op 't laatst onhoudbaar gebleken.
Calvijn is dikwerf veel te eenzijdig beschouwd en beoordeeld. Men zag in hem den man, die de speculatieve methode huldigde, die het intellectualisme voorstond, en wiens geheele theologie door zijn predestinatieleer werd beheerscht. Zoo werd Calvijn de harde, stroeve dogmaticus, die het denken liet praedomineeren, maar de innigheid van een warm gemoed miste, dat bij mannen als Bullinger en Ursinus u zoo teeder toesprak.
Deze beoordeeling is echter door en door onjuist en kan alleen dan worden voorgestaan, wanneer men niet meer onbevooroordeeld naar de stem der historie luistert. Dank zij den rusteloozen arbeid van prof. Doumerque, die zich tot taak heeft gesteld het leven van Calvijn tot in zijn finesse natespeuren, begint deze eenzijdige beoordeeling van den Reformator aanmerkelijk terrein te verliezen.
Maar ik ga hier niet verder op in. Al schrijvende over Calvijn zou ik bijna in verleiding komen om het hoofdthema waar het hier om gaat uit het oog te verliezen. Het is ons te doen om Calvijns verbondsbeschouwing te weten, en dan natuurlijk moeten wij ter schole gaan bij zijn standaardwerk, de Institutie, een meesterwerk door duizenden genoemd, door velen geroemd, door weinigen gelezen en door een zeer klein getal bestudeerd. Werkelijk, Hendrik de Cock, de vader der afscheiding was de eenige niet, die als predikant nog nooit dit werk van Calvijn had ingezien en ingedacht. Zulke predikanten (zouden er ook Christelijke Gereformeerde onder zijn?), worden er nog heden gevonden. Hoe het zij, wij slaan de Institutie op, en lezen dat gedeelte, 't welk de Heraut aanhaalt als bewijsmateriaal, dat zelfs Calvijn de leer der veronderstelde wedergeboorte of de wedergeboorte van moederschoot af heeft bezegeld.

A. (Amsterdam) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1917

De Wekker | 4 Pagina's

Een Geloofsstuk contra een Meestersstuk (LXXIII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1917

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken