Bekijk het origineel

Indrukken en Ervaringen (CIV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Indrukken en Ervaringen (CIV)

6 minuten leestijd

Het kantonnement R. zou niet weer met militairen worden belegd. Vroeger, in 't begin van de mobilisatie hadden onze mannen er gelegen en ruimschoots de nadeelen ondervonden van het gemis van een Milt. Tehuis, 't Is een eentonig dorp. Een rechte straat, waarop geen enkele boom gevonden wordt en aan beide zijden een rij huisjes, zonder smaak en zonder lijnen gebouwd. Een paar smederijen, een timmermanswinkel en een wagenmakerswerkplaats verbreken er de eentonigheid van het dorpsleven. Weinig kroegen worden er gevonden. 't Is een echt heidedorp. Want de heide omzoomt het aan alle zijden. Onze mannen waren dan ook innig dankbaar, dat het kantonnement R opgeheven werd, niet vermoedende, dat zij het in deze mobilisatie nog eens zouden moeten betrekken. Maar op eens komt het bericht dat een kompagnie van het III Bat. 6 R. I. aangewezen was voor R. Dominé, is daar ook een Milt. Tehuis? was de eerste vraag, die de mannen mij deden. Vrienden, er is daar nog nooit een Milt. Tehuis geweest, zeide ik. Er is vroeger eens een enkele maal in de school gepreekt, maar daarop is het weer opgeheven. Ik beloof je echter, dat ik alles zal doen om er een Milt, Tehuis te openen. De mannen hadden mijn woord en dat was hun genoeg. Maar ik stond voor de uitvoering en die bleek niet zoo eenvoudig te wezen. Op zekeren dag ging ik er heen en begon met een nauwkeurige inspectie van de huizen, De burgemeester wist niets. Een localiteit als u bedoelt en zoekt, zeide hij, is er in het geheele dorp niet en als zij er nog is, kunnen de menschen haar niet missen. Ik begreep, dat het niet gemakkelijk gaan zou. 'k Liep een smederij in, waar de smid juist bezig was den band aan een wagenwiel te verhitten en vroeg hem, of hij niet een huis wist, waarin zich een kamer bevond, groot genoeg voor een 20-tal militairen. Hij wist er op het moment geen, maar misschien zijn moeder, die beter met de huizen van het dorp bekend was. De moeder verwees mij naar een heel net uitziend huisje. Daar woonde een oude timmerman in en deze had een vrije achterkamer, groot genoeg voor het getal militairen dat ik genoemd had. Wanneer hij deze wilde afstaan, was ik geholpen. Ik trok er heen en vond de deur gesloten. Een buurvrouw vertelde, dat ik aan de deur van de werkplaats zijn moest. Deze was open en ik stond in een aardige timmermanswerkplaats. Geroepen — geen antwoord. Nog eens geroepen en daar hoorde ik gestommel op den zolder. Een klomp kwam door een zolderluik en een oogenblik later stond ik tegen over een pittig oud mannetje. Met een enkel woord maakte ik hem het doel van mijn bezoek bekend, maar het mannetje stoof zoo geweldig op toen hij het woord „soldaten” hoorde, dat ik een oogenblik beduusd was. „Soldaten in mijn huis” zeide hij, „dat gemeene volk, ik denk er niet aan. Ik heb geen vrouw meer en ben al boven de 70 jaar, ik behoef geen soldaten meer te hebben. Ik heb mot den geheelen rommel niets meer te maken. Afzetters, bedriegers zijn het, die soldaten.” Ik liet het mannetje eerst maar eens uitrazen, want er was toch geen stuiten aan. Hij had blijkbaar minder prettige ondervindingen met onze land-verdedigers opgedaan en daarom was hij verbazend tegen hen ingenomen. Ik merkte op, dat hij het doel van mijn komst totaal niet begrepen had. ik kwam niet voor inkwartiering en ik was geen man die beslag kwam leggen op zijn ruimte, maar ik maakte hem duidelijk, dat ik naar een kamer zocht, waar de mannen na afloop van hun dienst gezellig konden zitten en wat lezen en schrijven.
Maar hij dacht er niet over. Hij wilde met den rommel niet meer te maken hebben. Ik wist op een oogenblik niet wat ik moest beginnen, te meer, omdat het mannetje zich al mopperende achter in zijn werkplaats terugtrok en mij liet staan. Ik begon van een anderen kant en vroeg, of hij altijd in R. gewoond had, hoe lang zijn vrouw al dood was en of hij nog kinderen had. Hij had o. m. nog een ongehuwde dochter, die in Breda diende, maar hij wilde niet, dat zij haar jong leven bij hem doorbracht. Hij had weinig behoeften en wanneer hij maar een mooi boek had, verveelde hij zich niet. Hij werd wat zachter gestemd en ik waagde de vraag, of ik zijn huisje eens zien mocht. Hij opende een zijdeur en wij kwamen in een heel klein woonkamertje. Hier zit ik altijd, zeide hij. Maar je hebt toch ook nog een groote achterkamer, zeide ik. En hij opende weer een deur, waardoor wij in een klein voorhuis kwamen. In dat voorhuis', dat met de straat. In verband stond, bevond zich een glazen deur en daardoor kwamen wij in een groote helder verlichte achterkamer, een kamer zooals ik zocht. Hij was geheel leeg. Op den vloer lagen wat boonen en erwten te droogen. Er was een geschikte stookplaats en twee bedsteden. In een hoek stond een groot kabinet, het eenige meubelstuk, dat deze ledige kamer sierde. Die kamer hebt ge over, zeide ik. Waarom verhuur je mij die nu niet voor onze soldaten? Ik geef je er ƒ 4.— per week voor. Vier gulden, zeide hij, sapperloot, dat is een hoop. En wat mot er dan mee? vroeg hij. Geduldig begon ik het hem weer te vertellen en hij luisterde. Het geld had hem betooverd. Nog een oogenblik van aarzeling en …. hij was besloten, de kamer was voor onbepaalden tijd gehuurd. In een oogenblik was de kamer ontruimd, want het mannetje was veranderd als een blad op een boom. Eerst wilde hij niets en toen wilde hij alles, zelf mat hij de tafel en de banken, wees aan, hoe het buffet het voordeeligst kon geplaatst worden, verklaarde zich bereid er een tafel van zich zelven in te plaatsen, terwijl de bedienden in een van de bedsteden mochten slapen op een keurig bed. Binnen enkele dagen was het Tehuis gereed en toen het geopend werd, had niemand meer schik dan onzen ouden Sep. Eerst wilde hij bij de opening niet tegenwoordig zijn, maar wij haalden hem uit zijn kleine voorkamer en brachten hem in het Tehuis. Zijn eigen mooie uittrektafel had hij er in geplaatst, en hij was niet minder in zijn schik dan de soldaten. Telkens komt hij onze mannen 's avonds eens bezoeken en als ik kom om met hem af te rekenenen en ik vraag dan: hoe het met de jongens is, dan is zijn antwoord: 't zijn brave jongens, zij mogen altijd bij mij blijven, 'k vind het echt gezellig dat zij er zijn. Onze oude Sep is een vriend van de soldaten geworden.

De Veldprediker

P. S. Mijn helpstertjes in Dordrecht hebben mij den inhoud van hun busje gezonden, 't was een bedrag van 21 gulden. Hartelijk dank, vinde hun voorbeeld navolging.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1917

De Wekker | 4 Pagina's

Indrukken en Ervaringen (CIV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1917

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken