Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Belijden en gelooven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Belijden en gelooven

9 minuten leestijd

„Namelijk, indien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart gelooven, dat God hem uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden.” Rom. 10 : 9.

Gelooven en belijden staan met elkander in nauw verband, doch moeten wel onderscheiden worden. Er is veel belijden zonder gelooven, maar gelooven doet ook belijden. Zonder geloof kan niemand Gode behagen. Zonder geloof is er geen gemeenschap met Christus. Zonder geloof derhalve ook geen zaligheid, want Christus is de Levensbron.
Belijden met den mond kan geschieden met een historisch geloof, gelijk er nog een groote menigte van menschen is, die verstandelijk de waarheid toestemmen waarheid te zijn, doch die geen oprecht geloof bezitten, en niet gelooven met het hart. Moet als zoodanig het onderscheid tusschen gelooven en belijden wel verstaan worden, dan dient er daarenboven wel op gelet te worden, gelijk de apostel in de voorafgaande woorden duidelijk aanwijst, dat het niet hetzelfde is, hoe en wat men gelooft. De mensch moet voor God gerechtvaardigd worden zal hij vrede hebben met God, en zal zijn geloof rusten op een vasten en onbedriegelijken grondslag. De vraag is maar of ge rechtvaardigheid zoekt uit de wet, of dat ge verstaat en daarbij bezit de rechtvaardigheid des geloofs.
Het zoeken van rechtvaardigheid uit de wet, was oorzaak, waarom de Joden zich afkeerden van Christus. Al hun ijver voor de wet was niets anders dan een voortdurend streven, gelijk Paulus in ons tekstverbond aantoont, om hun eigen gerechtigheid op te richten. Zulk eene werkzaamheid is in 't wezen der zaak een verwerpen van Christus, vijandschap tegen God.
In het eerste gedeelte van dezen brief heeft Paulus duidelijk uiteengezet, dat rechtvaardigheid uit de wet onmogelijk is, want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods Om niet gerechtvaardigd worden, uit genade door het geloof, om de verdiensten van Christus, dat is de ééne mogelijkheid, in Gods Woord geopenbaard, om zalig te worden.
Dat is dan niet de rechtvaardigheid uit de wet, maar de rechtvaardigheid des geloofs, waarin en waardoor God op het hoogst verheerlijkt, en de zondaar op het diepst vernederd wordt.
Op de vraag nu, wie er zalig worden zal, lezen we in bovenstaande woorden het kort omschreven, zinrijke, duidelijke en afdoende antwoord. Dit is, zegt de apostel, het woord des geloofs, hetwelk wij prediken, namelijk, indien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart gelooven, dat God Hem uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden. In dat belijden van Jezus ligt begrepen, dat Jezus de Heere is, die Zijne gemeente met Zijn bloed heeft gekocht. Dat Hij is de Eeniggeborene van den Vader, vol van genade en waarheid, waarachtig en rechtvaardig mensch, maar ook waarachtig God, in eenigheid Zijns persoons, eens wezens met den Vader en den Heiligen Geest.
Jezus, de Heere, die dood geweest is, maar die uit de dooden is opgestaan en leeft tot in alle eeuwigheid. Hij, de eenige Naam onder den hemel tot zaligheid geopenbaard. Jezus, de eenige maar volkomene en algenoegzame Zaligmaker, die met ééne offerande in eeuwigheid heeft volmaakt allen, die door Hem geheiligd worden.
Hem alzoo te belijden was in die dagen, waarin Paulus zijn brief schreef aan de gemeente te Rome, geen geringe, zaak. Er was toen verdrukking en vervolging om der waarheid wil. En toen gold het woord, door Jezus eens gesproken, gelijk dat van kracht is en blijft voor alle volgende eeuwen en geslachten: Die Mij belijden, zal voor de menschen, dien zal Ik belijden voor Mijnen Vader die in de hemelen is, maar die Mij zal verloochenen voor de menschen, dien zal Ik verloochenen voor Mijnen Vader die in de hemelen is. Vrijmoedig des Heeren Naam belijden, in 't openbaar er voor uitkomen dat men in Hem gelooft als in den Christus der Schriften, dat moet, zal het wél zijn, bewijzen, dat er kennis van Hem en liefde tot Hem in en bij ons gewaar wordt. De één mag dan wat meer en de ander wat minder vrijmoedigheid hebben in 't belijden, maar als het er op aankomt kan de oprechte Hem toch niet verloochenen. De liefde, in ons hart uitgestort door den Heiligen Geest, is daartoe te krachtig. Die liefde is sterker dan de dood en harder dan het graf. Dat belijden is bij de oprechten vrucht van hun geloof.
Het oprecht geloof ziet in Christus het einde der wet. De oprechte kent en begeert geen andere rechtvaardigheid voor God, dan die in Christus Jezus onzen Heere is. Met zijn mond belijden en met zijn hart gelooven den Heere Jezus, dat Gód Hem uit de dooden heeft opgewekt, daar is, naar des apostels woord, de zaligheid aan verbonden. Het Sadduceïsme loochent de opstanding. De Joden, die Christus hebben verworpen, wilden van de opstanding van Christus niet hooren. Hoeveel historische bewijzen ook zijn bij te brengen voor Christus' opstanding, nog nog wordt dit zoo heerlijk en heugelijk feit door duizenden, die zich nog onder het protestantisme scharen, ontkend en tegengesproken. Hoe velen zijn er daarenboven, die nog onder den algemeenen naam van rechtzinnige Christenen doorgaan, die op geen enkele wijze toonen het geloof te bezitten, hier door Paulus bedoeld.
Het is één der grootste dwalingen dezer eeuw dat men weten en gelooven vereenzelvigt. Er is wel geen geloof zonder kennis, maar er is zooveel kennis zonder geloof. Weten is verstandswerk. Gelooven, in den goeden zin van het woord, is hartewerk. Onze gereformeerde vaderen hebben er in hunne geschriften steeds met nadruk op gewezen, dat het hart, en niet het hoofd, de „zitplaats” is van het geloof. Vandaar, dat met zijn hart gelooven altijd denken doet aan, — en wijst op het werk van den Heiligen Geest, die, gelijk onze belijdenis zegt, het geloof door het Woord in onze harten werkt.
De Heilige Schrift is vol wonderen. Ook de opstanding van Christus is een wonder. Al wat ongeloof is stoot zich aan wonderen en wil daar niet van weten. Het geloof daarentegen aanbidt God, die wonderen doet op wonderen hooren. Het oprecht geloof ziet in Christus de Opstanding en het Leven. Het ziet in Hem den overwinnaar van den dood. Hij is het eenige offer dat voor de zonde gelden kan. Amen, zegt het geloof op het apostolische woord, dat ons zegt, dat Christus is gestorven om onze zonden en dat Hij is opgewekt tot onze rechtvaardigmaking.
Eischt de Wet volmaakte gehoorzaamheid, Christus is gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den dood des kruises. Is er geen vrede met God zonder wegneming van schuld, Christus is eene verzoening voor onze zouden. Ligt door de zonde geheel Adams geslacht onder den vloek, Christus heeft ons van den vloek der Wet verlost, een vloek geworden zijnde voor ons, want er is geschreven: „vervloekt is een iegelijk die aan een hout hangt.”
Is de mensch in Adam Gods beeld, met dat beeld Zijn kroon, en met die kroon, Zijn oorspronkelijke gerechtigheid verloren, herschapen is hij in Christus, waardoor hij gereinigd van alle zonden, volmaakt is voor God. Dat is geheel wat anders dan gerechtigheid zoeken uit de wet. Geheel wat anders dan nog weer heil te zoeken en te verwachten uit een verbroken werkverbond. Dat is, gelijk de apostel der heidenen aan de gemeente te Efeze schrijft, zalig worden uit genade, door het geloof, niet uit de werken, opdat niemand roeme. Alle roem is van 's menschen zijde afgesneden. De zaligheid ligt buiten den mensch, alleen in God. In het praktisch leven is het een groot gebrek hij vele vromen, dat men steeds de grond voor zijn zaligheid nog in en bij zich zelven wil zoeken. Er is in het algemeen nog maar zoo weinig zuivere kennis, en als gevolg daarvan, ook zoo weinig gezonde praktijk van de waarheid. Toch moet, zullen we de kracht der waarheid kennen en de kracht der waarheid genieten, de grondslag van ons geloof zuiver zijn.
't Is maar niet genoeg, te denken of te meenen, dat ge zult zalig worden, neen we moeten het op proef houdende gronden weten, zullen we getroost kunnen even en eens zalig sterven. Daarom is voor ieder die belang stelt in 't heil zijner onsterfelijke ziel de vraag zoo ernstig en gewichtig, of we belijden en gelooven, gelijk Paulus door den Heiligen Geest hiervan getuigenis geeft. Dat er verscheidenheid is van gaven en van de bedeeling der genade, verscheidenheid ook wat betreft de mate onzes geloofs, weet ieder. Daar gaat het nu niet over. Niet op een groot of op een sterk geloof, maar oprecht geloof, daar komt het op aan. Wij hebben, en velen met ons, bij vernieuwing ons Paaschfeest gevierd en daarbij gedachtenis van Christus' opstanding, en wie zijn het nu, die in de vrucht van Christus opstanding deelen? Alleen zij, die met Christus gestorven en opgewekt zijn. Dit doet een Paulus getuigen omtrent zijn eigen persoon: Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en wat ik nu leef dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij liefgehad en zich zelven voor mij overgegeven heeft. Ook zeggen en belijden we met dienzelfden dienaar Gods, dat Christus ons leven is. Tegenover al ons eigen zwakheid en gebrek, — tegenover de aanvechtingen des Satans, tegenover alles wat ons tracht den troost der waarheid te ontrooven, staat dan eeuwig vast, dat niets ons zal scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus onzen Heere. Dat is het woord des geloofs, wat door Christus' getrouwe dienaren gepredikt wordt. Dit wordt helaas door velen, die het niet verstaan, geminacht. Daar heeft men niet genoeg aan. Men wil liever een evangelie, dat naar den mensch is, dat wil zeggen: dat de mensch streelt en kroont. De prediking van „het woord des geloofs” is echter geen prediking naar den mensch. Daarom zeiden we, God wordt daarin op het hoogst verheerlijkt, maar de mensch op het diepst vernederd. Alles wat uit den mensch is, wordt onvoorwaardelijk bij den grond afgesneden, 't Is alles vrije en souvereine genade. Dat wordt geleerd, zoodra Gods Geest een zondaar komt te ontdekken, en daar hebben we aan te leeren ons leven lang.
Menig stervend kind des Heeren heeft het in zijn uiterste nog uitgesproken: Heere! nu zal het nog genade, vrije genade zijn, als zulk een voorwerp als ik ben, zal binnenkomen.
Dan wordt verstaan, wat zoo menigmaal door de gemeente in haar gezang wordt uitgesproken:

Door U door U alleen, om 't eeuwig welbehagen,
Want God is ons ten Schild in 't strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Israëls God gegeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1917

De Wekker | 4 Pagina's

Belijden en gelooven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1917

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken