Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vragenbus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vragenbus

4 minuten leestijd

E. S. te O. Is de menschwording van Christus op ziehzelve eene vernedering of maakten de omstandigheden haar eene vernedering?
Deze vraag wordt niet door alle godgeleerden op dezelfde wijze beantwoord. Zoo ziet b.v. W. à Brakel in de menschwording geene vernedering. Hij schrijft daarover: „De vernedering is een werk des persoons en niet van de eene of andere natuur. De Heere Jezus, een-Goddelijk Persoon, zijnde, zoo was al Zijn lijden een werk van eene Goddelijke kracht en waardigheid. De Persoon Godmensch heeft Zich naar Zijne Goddelijke natuur niet eigenlijk vernederd, Hij kan ook niet; want die is onveranderlijk, onverderfelijk; maar Hij heeft Zijne Goddelijke heerlijkheid onder de aangenomen menschheid verborgen, zoodat de menschen Hem als als God, gelijk Hij was, niet aanzagen en daarom de stoutigheid hadden Hem te dooden. Zoodat de aanneming van de menschelijke natuur niet is eene eigenlijk gezegde vernedering, maar eene bekwaammaking van den Persoon om Middelaar te kunnen zijn.… Het aannemen van de menschelijke natuur op zichzelve en zonder de vernederende omstandigheden aangemerkt, was, noch kan geene eigenlijke vernedering zijn, want: (a) Christus was voor Zijne menschwording nog niet Godmensch; daarom kon Hij als zoodanig ook niet veranderd worden, en naar de Goddelijke natuur had eigenlijk gezegde vernedering in Hem geen plaats; b) de vereeniging der Goddelijke natuur met de menschelijke blijft ook in den staat van Zijne verheerlijking, ja, tot in eeuwigheid; dienvolgens is de menschwording geene vernedering.” Gal. 4 : 4 wordt als bewijs voor de vernedering weerlegd daarmede, dat. het worden onder de wet wel vernedering is, het worden uit eene vrouw niet. Ook Gil. 2:7 haalt Brakel aan en zegt dan: „Hier wordt de vernedering gesteld, niet in de aanneming van de menschelijke natuur, maar in de vernederde omstandigheden, de gestaltenis eens dienstknechts, den Vader gehoorzaam te zijn tot den dood des kruises.”
Prof, Bavinck zegt in zijne Dogmatiek (III 337), dat de menschwording op zichzelven, zonder meer, steeds is en blijft eene daad van nederbuigende goedheid, maar niet in engeren zin een trap in den staat der vernedering. Op blz. 456 schrijvende over de kenoosis (bij ons door vernietiging vertaald: in Fil. 2:7) zegt hij evenwel: „Heel het leven van Christus van de ontvangenis af tot zijn dood toe, was dus eene vernedering tengevolge zijner gehoorzaamheid, een steeds dieper ingaan in de gemeenschap onzer zonden en een steeds verder zich verwijderen van de hemelsche vreugde.” Op blz. 484 constateert hij, dat eenparig door de theologen van Gereformeerde belijdenis geleerd is, dat Christus vernedering ook hierin bestond, dat Hij in de volheid des tijds de menschelijke natuur aannam, en wel zulk eene, die aan de onze in alle opzichten, uitgenomen alleen de zonde, gelijk was.
Bij de beantwoording der vraag: vernedering of niet? moet op dit laatste sterk de nadruk vallen: „zulk eene menschelijke natuur, die aan de onze in alle opzichten, uitgenomen alleen de zonde, gelijk was”. De mensch Christus Jezus is geen nieuwe schepping! Hij is uit den zade Davids, Abrahams, Adams; het „zaad der gevallene vrouw”.
Daarbij wil het ons voorkomen, dat Brakel al te luchtig henengaat over het onderscheid tusschen persoon en natuur. Aan den persoon wordt eene natuur toegekend. Zoo is niet Christus eene goddelijke en eene menschelijke natuur, maar Hij heeft die beide naturen.
Wanneer we dan lezen in Joh. 17:5, dat de Heiland bidt: „En nu, verheerlijk: Mij, Gij Vader, bij U zelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was,” dan ziet dit voorzeker op den Persoon des Zoons. De mensch Christus Jezus was niet eer de wereld was; die is geworden in de volheid des tijds. Deze bede wijst ons wel degelijk op eene vernedering in en door de menschwording. In Fil. 2:7 is het de Persoon des Zoons, die zichzelven vernietigd, d. i. ontledigd heeft. In de aanneming van ons vleesch en bloed vernedert zich de .Zoon gewillig en genadig om te kunnen voldoen aan des Vaders eisch.
De nederige omstandigheden, waaronder Christus geboren is, onderstrepen o. i. Zijne vernedering in de menschwording.

d.H. (den Haag) L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1917

De Wekker | 4 Pagina's

Vragenbus

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1917

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken