Bekijk het origineel

Luther, Calvijn, de Cock en de Kerkhervorming (XXXVIII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Luther, Calvijn, de Cock en de Kerkhervorming (XXXVIII)

4 minuten leestijd

En dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.I Joh. 5 : 4b.

Nicolaas Schotsman was in 1822 ontslapen. Maar nauwelijks een jaar nadat deze dienaar des Heeren tot de eeuwige ruste was ingegaan, schreef da Costa een boekje: „Bezwaren tegen den geest dezer eeuw.” Had Schotsman's eerezuil den barometer naar storm gejaagd, dit geschrift bracht den wijzer op storm, die met de kracht van een orkaan aanwakkerde. Wat verbazing, wat ergernis, wat haat woei er weldra uit het kamp der verdraagzamen en der lieden van het juiste midden. Spoedig had iedereen er den mond vol van en was en het oordeel geveld. De rechtbank der publieke opinie had uitgemaakt, dat in geen jaren zulk een vuil pamflet van de pers was gekomen.
Zeker Bilderdijk had het ook wel eens snel durven zeggen, maar hij werd oud en men moest den ouden heer wat toegeven; hij zou het zoolang niet meer maken. Daar op eens merkt men, dat de school van Bilderdijk, waarvoor men de rouwkaart al geschreven had, toch niet het stervensuur nabij was. Een discipel van Bilderdijk, een gedoopte Jood, een jonge man van even 25 jaren, Izaäk da Costa, voor velen toen nog een onbekende grootheid, greep naar den bijl en bracht dreunende slagen toe aan den boom van het vaderlandsch, kerkelijk en staatkundig leven.
Dat was te erg. „Er uit met den indringer, die heel het rustig vaderlandsch huishouden in de war tracht te brengen! Weg met dat schimpschrift, dat over alles en allen het anathema velde. Wij kunnen het thans ons bijna niet voorstellen, dat Da Costa om der wille van dit geschrift zulk een smaad en verguizing moest verduren. De schrijver zelf zegt daarvan: het waren recensies, pamfletten, anonyme (voor het meest) of pseudonieme schimpschriften, spotverzen, epigrammen, parodiën, kluchten, schand- en schendbrieven over de post — te vuil om er den inhoud zelfs van te laten vermoeden, waarin beurtelings of tegelijk tegen de op alle punten schuldige school gehandhaafd werden: „de vrijzinnigheid der oude staatsgezinde partij, de wijsheid bovenal der eeuw en harer Nederlandsche organen.”
Maar wat stond er dan toch voor leelijks in dat boekdeeltje, waardoor zulk een orkaan van schimp en smaad over den jeugdigen Dacosta losbarstte? Wel, hij geesselde in die „Bezwaren” den geest van farizeïstische verdraagzaamheid, die hij brandmerkte als Jezuiëtisme! Hij liet daarin een gloeiend protest hooren tegen de eigengerechtigde gematigheid, op wier altaar de tijdgeest zooveel wierook brandde. Hij sloeg daarin een lofaccoord aan ter eere van de oude welbeproefde waarheid, en zei zijn tijd, dat niemand zonder vrije genade kon zalig worden, en dat Gods onbepaalde en vrijmachtige voorbestemming in de uitverkiezing der begenadigden de bronader van alle zoetigheid is.
Dat was te veel gezegd aan 't adres eener eeuw, die zich zelf heel godsdienstig vond en die daarvoor ook wilde gehouden worden. Een eeuw, die de „uitersten” verafschuwde, die den staf brak over die dolle koppen van 1795, toen zoo onbesuisd de vlag voor „vrijheid, gelijkheid en broederschap” werd geheschen.” Maar ook een eeuw, die met diepe verachting neerzag op dat „fijne volkje” de „femelaars” de nachtschool, waarvan Dacosta een toonzetter was. Het was de tijd, waarin de „middenmannen” werden gelauwerd. De godsdienstigheid kreeg weer een zetel. Wie niet godsdienstig was, heette „onnet.” 's Zondags morgens kerkgaan of avondmaal houden en
's avonds onder gezellige kout een kaartje leggen of onder 't genot van een lange pijp zijn dagblad lezen. Dat was je ware!
Tegen dien geest trok Dacosta als ridder zonder vrees of blaam ten velde en met zijn pen en zijn lier heeft hij toen meer vijanden verslagen dan menig krijgsman met zijn zwaard!
Hoort, welk een Luther-moed hem inspireerde:

Neen, Bilderdijk! wij sidderen niet,
Schoon hel en wereld woede!
Schoon Satan knarstande om ons lied,
Wij zingen 't in Gods hoede!
O welk een glorie! welk een heil!
Den kruisvaan mag ik dragen!
'k Heb alles voor mijn Heiland veil,
Ik durf den aanval wagen!
(Ik) plant den vaandel op het slot
Dat de eeuwgeest dorst bezetten.

Geen wonder, dat deze worsteling van Dacosta 't gesmade volk van God in die dagen met nieuwe levenshoop bezielde.

A. (Amsterdam-W.) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1918

De Wekker | 4 Pagina's

Luther, Calvijn, de Cock en de Kerkhervorming (XXXVIII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1918

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken