Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Overblijvende rust

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overblijvende rust

10 minuten leestijd

„Er blijft dan eene rust over voor het volk van God.” Hebreën 4:9.

De weg naar den hemel is als de weg van Israël door de woestijn, gekenmerkt door velerlei moeilijkheden en bezwaren. Toch moest Israël door de Roode zee, en door de groote woestijn van Arabië, om in Kanaän te komen. Dat was het land, door God aan Abraham en zijn zaad beloofd tot een erfdeel, een land, vloeiende van melk en honig.
Daar zou het nakroost van Abraham rust genieten. Daar zouden zij genieten de weldadigheden des Heeren, met rust onder hun wijnstok en vijgeboom. Doch hoe groot al die weldaden waren, nog grooter en heerlijker goed was weggelegd voor hen, die in waarheid den Heere vreesden.
Daarop wijst de apostel in ons teksthoofdstuk, als hij de Hebreën opwekt zich te benaarstigen om in te gaan in de rust, die er overblijft voor het volk Gods. Daarmee bedoelt de heilige Schrijver niet de wekelijksche Sabbathsrust, ook niet de rust van het land Kanaän, maar de rust die in den hemel der heerlijkheid zal genoten worden door hen die in den Heere ontslapen zijn en rusten zullen van al hunnen arbeid, terwijl hunne werken hen zullen volgen.
Dit wordt bevestigd door hetgeen we lezen in den 95sten Psalm, waar getuigd wordt van hen, die reeds in Kanaän waren, dat zij van wege hun ongeloof niet in de rust hebben kunnen ingaan. De wekelijksche Sabbathsrust, hoe aangenaam ook, is van voorbijgaanden aard, en wordt telkens gevolgd door zesdaagschen arbeid. De rust van Kanaän was groot en heerlijk, vergeleken bij het woestijnleven, dat door zooveel moeite en beproeving zich onderscheidde; maar de rust, hier bedoeld, is van zoo geheel anderen aard.
't Wordt wel, gelijk het oorspronkelijk Grieksche woord uitdrukt, Sabbathsrust genoemd, omdat de gewone Sabbathsrust daar een schaduw, een afbeelding van is. Van alle weldaden welke de geloovigen in dit leven genieten, blijft het altijd maar een beginsel van het volmaakte. Waar echter de apostel in den tekst op wijst is geen gebrekkige, geen onvolkomen, maar de volmaakte rust, waarbij het met allen moeilijken arbeid, met allen strijd, en met alle lijden voor eeuwig gedaan is. De hemel en het hemelsche Kanaän is het land der ware rust. Daar zijn geen vijanden meer, daar is geen zonde meer, daar zijn geen krankheden en geen tranen meer. Dáár schrijft men niet meer, dat het gansche schepsel zucht. Daar zullen ze, als de gezaligden voor Gods troon, eeuwig zingen van Gods goedertierenheid. Daar loeien geen stormen, daar verontrusten geen donderslagen en bliksemschichten, daar woeden geen oorlogen meer. Neen, daar heerscht een eeuwig durende lente; daar wordt volmaakte vrede gesmaakt, daar is verzadiging van vreugde en daar zijn lieflijkheên aan Gods rechterhand, eeuwiglijk.
Met het woord sabbathsrust wordt te verstaan gegeven, van hoedanigen aard de hier bedoelde rust is. Sabbathsrust is nog wat anders dan ledigheid, dan niets doen. De Sabbath is door God geheiligd en bestemd om te rusten van den gewonen, dagelijkschen arbeid, maar tevens om Hem, onzen Schepper, daarop te dienen en te verheerlijken. Ledigheid brengt geen vreugde aan. Een doelloos leven is een allerongelukkigst leven. Zoo zal het in den hemel niet zijn. De Heilige Schrift getuigt er van, dat zij God dienen in Zijnen tempel, dag en nacht, zonder moede noch mat te worden. Het gaat ver boven het bereik van een nietig menschenkind, om zich de volle werkelijkheid van de heerlijkheid voor te stellen, welke Gods kinderen na dit leven wacht. Het is nog niet geopenbaard, schrijft Johannes, wat we zijn zullen. Als door een kleine opening van de deur, mogen de oprecht geloovigen bij oogenblikken eens iets zien. En dan, ja dan komt ge in verrukking, om met den gewijden dichter uit te roepen: „Hoe groot, o Heere! is het goed, dat Gij hebt weggelegd voor degenen die U vreezen.” Gaat alle andere rust voorbij, slechts eene rust is er die blijft, en dat is de rust beloofd aan het volk van God. Beloofd en toegezegd alleen en uitsluitend aan de oprecht geloovigen. Jozua bracht onder Gods voorzienig bestuur Israël in Kanaän, maar gelijk we reeds zeiden, de rust van Kanaän was de ware rust nog niet. Ook in dat aardsche Kanaän, toen Israël zijn God verliet, heeft het volk veel ellende moeten doorleven. Niet Jozua, maar Jezus, die in en door Jozua was afgebeeld, leidt Zijn volk tot de ware rust. Als de Silo, gelijk de aartsvader hem aankondigde, heeft Hij de rust verworven. Het genieten van de rust is de vrucht van Zijn Middelaars verdienste, de vrucht van Zijn volmaakte gehoorzaamheid. Als wat groots mag het aangemerkt worden, dat we in deze moeitevolle wereld van zulk eene rust kunnen en mogen spreken. Hoe getuigt reeds een Mozes in de oudheid, dat het uitnemendste van dit leven nog moeite en verdriet is. Wie moet niet instemmen met een Job, dat de mensch een strijd heeft op aarde en dat zijne dagen zijn als de dagen eens daglooners! Ook de Christenen uit de Hebreën, hebben in veel beproevingen gedeeld. Men leze maar eens het 12de hoofdstuk uit dezen brief. Maar hoe zwaarder ons lijden is en hoe menigvuldiger onze beproevingen, hoe heerlijker dat woord ons in de ooren zal klinken, dat er een rust is, die blijft. Geen wonder dan ook, dat Gods kinderen daar de oogen op gericht houden. Geen wonder, dat hun dat moed geeft en telkens het hoofd in den druk doet opheffen. De kroon van den Christenstrijder schittert aan het einde van de loopbaan. Het leven mag dan moeilijk, de strijd zwaar, de beproevingen vele zijn en de nood bij oogenblikken hoog klimmen, maar Hij, die het beloofd heeft is getrouw. Geloovig daarop ziende, zegt ge dan met David: „Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou”, dan, ja dan kwaamt ge om in al uwe ellende.
Wat al drukte, wat al gejaagdheid, wat al vermoeienis, wat al angst en benauwdheid in deze wereld! En dan daarenboven een vreeselijke tijd gelijk wij thans beleven. Gode alleen is het bekend, hoe er op dit benedenrond elken dag wordt geweend en geleden. De aarde is dronken van al het bloed der verslagenen. Er zijn menschen, die haast dood geweend zijn van smart. En wee dan die ongelukkigen, gelijk die bij duizenden worden geteld, die geen anderen troost kennen noch bezitten, dan die de wereld haar dienaren biedt. We zijn in de wereld, we moeten door en uit de wereld, en hoe zal een Adamskind getroost kunnen zijn in leven en in sterven, als men een vreemdeling van God en een vijand van Christus is!
Zal een welgegronde hoop op de eeuwige, op de zalige rust, die er voor Gods volk overblijft, ons deel zijn, dan moeten we ook tot dat volk van God behooren. „Misschien” en „wellicht” zijn hier uitgesloten. Gods Woord spreekt altijd beslist, 't Is voor ieder mensch: buiten of binnen, dood of levend, het eigendom Gods of het eigendom des Satans. Zich te vleien voor de toekomst zonder deugdelijken grond, is dwaasheid. Die het dan weten wil, die kan het immers weten, voor wie de rust is, in den tekst bedoeld. Jezus is de eenige en volkomene Zaligmaker, niet van de menschen, maar van Zijn volk, van die allen, die Hem van den Vader gegeven zijn, en die Hij voor den duren prijs Zijns bloeds heeft gekocht. Hij heeft de zonden Zijns volks in Zijn lichaam gedragen op het hout. Hij heeft een eeuwige verzoening te weeg gebracht, door Zijn lijden en sterven als Borg voor al Gods uitverkorenen.
Door het geloof met Christus vereenigd, is Gods kind erfgenaam geworden van God en medeërfgenaam van Christus. Christus zelf is ingegaan in de rust, nadat Zijn Middelaarswerk op aarde was volbracht.
En waar Hij is, daar zal ook Zijn dienaar zijn. In dat geloof deelend, kunt ge Paulus najubelen en zeggen: Wij weten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw bij God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.
Nog maar een weinig tijds, op zijn langst genomen, maar een weinig tijds, dan hebt gij, gunstgenooten des Heeren, het einde van uw aardsche loopbaan bereikt. Wat zou u dan nog doen vreezen? Wie toch zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkoren Gods?
Laat Satan lasteren en schelden, — laat de Wet u veroordeelen en eigen geweten u gedurig nog aanklagen, maar het handschrift der zonde, dat tegen u was, heeft Jezus aan het kruis verscheurd. Gelooft alleenlijk en ge zult steeds grooter en heerlijker dingen zien. Het geloovig inzien in Gods beloften en het vertrouwend werkzaam zijn daaronder, geeft vrede en blijdschap door den Heiligen Geest.
Maar omdat de zaak zoo gewichtig is en de H. S. zoo beslissend spreekt, is het voor ieder zoo hoog noodzakelijk zich gedurig te beproeven, of wij waarlijk in 't geloof zijn, en of wij dientengevolge ook waarlijk tot Gods kinderen behooren.
Met het oog daarop wekt Paulus de Hebreen op om te benaarstigen om in de rust in te gaan. De apostel doet dit met terugwijzing naar dat Israël, waar de Heere van getuigt, dat zij door hun ongeloof niet hebben kunnen ingaan. Zij zijn gestorven in de woestijn en hun voeten hebben het beloofde land niet betreden. Gelijk het toen was, zoo is het ook nu: het is niet alles Israël wat uit Israël is.
Ach, zoo velen dragen valsch den naam Christen, Die in waarheid een Christen is, die is met Christus gezalfd. Die zal ook Christus' naam bekennen en belijden. Dezulken bouwen op geen lossen grond hunne hoop. Het zich benaarstigen staat tegenover traagheid en onverschilligheid. Grondig aan uzelven ontdekt door de werking van den Heiligen Geest, kunt ge onmogelijk onverschillig zijn omtrent uw eeuwig belang. Dan kunt ge onmogelijk in iets anders rust vinden dan alleen in Hem, Die de ware rustaanbrenger is.
Nog roept Christus, vermoeiden en belasten, — nog roept en noodigt Hij tot de rust, die in en bij Hem is.
Geschud en geslingerd menigmaal als een schip op de golven, kan het bekommerde gemoed gedurig zuchten en zeggen: Heere! ik geloof, kom mijne ongeloovigheid te hulp. Fel bestreden en bestookt van alle kanten, gaat menig scheepje als onder storm de haven binnen.
Maar waar de Heere zijn werk begonnen is, zal Hij 't voleindigen. En al stormt het dan soms ten einde toe — de Heere, zoo getrouw als sterk, zal Zijn werk ook voor u voleinden.
Ingegaan in de rust, zijt ge weldra al 't leed uit Mesech vergeten. God zal alle tranen van uwe oogen afwisschen.

W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1918

De Wekker | 4 Pagina's

Overblijvende rust

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1918

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken