Bekijk het origineel

Onze Kerkregeering (XXII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onze Kerkregeering (XXII)

Hoofdstuk 2. De examinatie Artikel 4 D.K.O.

5 minuten leestijd

Eer wij overgaan tot het tweede gedeelte van de toelating tot den dienst des Woords, moeten wij even wijzen op eene leelijke druk of zetfout, ingeslopen aan het slot van ons vorig artikel.
Daar staat: „Want gelijk Art. 4 in den aanhef zegt, het geldt hier de beroeping van hen, die nog niet in den dienst zijn geweest, dus personen of candidaten in de Heilige Theologie.” Wij schreven echter niet: personen maar:proponenten of candidaten in de Heilige theologie.
Zulke candidaten nu, verkozen en beroepen zijnde en het beroep eener gemeente aangenomen hebbende, zullen geëxamineerd worden. Art. 4. D. K. O. zegt: „Ten andere in do examinatie of onderzoeking beide der leer en des levens, dewelke staan zal bij de classis, ten overstaan van de Gedeputeerden der Synode of eenigen derzelve.”
Het examen hier bedoeld geschiedt door de classis en wordt daarom wel het classicaal examen geheeten. Het is het peremptoir of beslissend examen dat op de beroeping volgt en niet het praeparatoir of voorbereidend examen, dat iemand beroepbaar stelt en dus aan de beroeping voorafgaat. Dit praeparatoir examen wordt bij ons afgenomen door de curatoren der Theol. School indien het gaat over personen die aan de School hebben gestudeerd, en door de classis, indien iemand volgens Art. 8 D. K. O. wordt onderzocht en het stelt den met goed gevolg geëxamineerde beroepbaar voor de Kerk. Daarop volgt na de beroeping het examen volgens Art. 4. door de classis. Al de kerkorden van af 1568 eischen zulk een peremptoir-examen en het is dus het oudste examen door de Kerk gevorderd.
Het moet gaan „beide der leer en des levens,” zoodat zoowel op rechtzinnigheid als op godzaligheid moet gelet. De Synode der Chr. Geref. kerk van 1866 bepaalde de vakken waarin geëxamineerd zal worden, terwijl na dit onderzoek naar roeping en genadestaat gevraagd wordt.
Dit examen heeft plaats ten overstaan van de gedeputeerden der Synode. Met die Synode wordt niet de generale maar de particuliere Synode bedoeld. Dit blijkt uit Art. 49 D. K. O. waar gezegd wordt dat de particuliere Synode eenigen zal afvaardigen om over alle examina der aankomende predikanten te staan. Er wordt niet bij gezegd hoe groot dat getal deputaten zal zijn, doch de Synode onzer Kerk van 1854 stelde dat getal op niet minder dan vijf en bepaalde dat de meerderheid, dus drie deputaten minstens bij het examen moeten tegenwoordig zijn. De predikanten der classis nemen het examen af en verdeelen de vakken onderling, doch de deputaten hebben recht om vragen te stellen van het examen mede te delibereeren en te adviseeren, doch zij hebben geen beslissende stem volgens de Dordtsche kerkorde. Onze Kerk echter heeft in 1865 bepaald dat zij met de leeraren der classis niet alleen het examen afnemen, maar ook mede beslissen, zoodat zij mede stemmen over den candidaat. Eerst stemmen zij mede met de predikanten der classis over de kundigheden van den candidaat en na gunstigen uitslag met al de afgevaardigden der classis over al of niet toelating. Ook deze bepaling is van 1863. Meer dan waarschijnlijk vindt deze bepaling zijn oorzaak in de overweging dat alleen predikanten over de kundigheden kunnen beslissen. Echt Dordtsch is dit niet. Volgens Art 4, is het examen eene onderzoeking naar „leer en leven” en niet over wetenschap en rechtzinnigheid. Het examen aan de School, het praeparatoir examen, heeft reeds over de kundigheid beslist. Voetius zou dan ook over de bepaling van 1863 getoornd hebben, want hij merkt op, dat het recht van keurstem niet volgt uit het ambt, maar uit de afvaardiging. Volgens Voetius stemmen de predikanten niet omdat zij dat ambt dragon maar omdat zij afgevaardigd zijn naar de classis. Een predikant eener genabuurde classis zou als predikant ook wel over de kundigheden kunnen beslissen, maar hij mag niet meestemmen omdat hij niet afgevaardigd is. Stemrecht ligt in de afvaardiging. En als afgevaardigde heeft een predikant hetzelfde recht als de afgevaardigde ouderling en niets meer.
Over den duur van het examen is mets bepaald, althans niet door de Kerkorde. Latere classicale bepalingen luiden dat het niet langer mag duren dan vier uren. Dit is ook lang genoeg. Bij ons wordt dit examen soms te lang gerekt. Als curiositeit deelen wij mede dat de classis van Walcheren bepaalde: Elk lid der classis, hiertoe van den Praeses verlof verzocht en verkregen hebbende, zal wel eenige vragen mogen stellen aan den candidaat, maar hij is zelf verplicht die te beantwoorden, indien de examinandus in gebreke blijft. Dit was een goed middel om te lang vragen en strikvragen te voorkomen en thans nog een uitnemend recept voor examinatoren, die wat duister of spitsvondig in het vragen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1919

De Wekker | 4 Pagina's

Onze Kerkregeering (XXII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1919

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken