Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vrede bij God

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vrede bij God

10 minuten leestijd

„Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.” Rom. 5:1.

In de vier voorafgaande hoofdstukken van dezen brief aan de Romeinen heeft Paulus de leer der rechtvaardiging des zondaars voor God behandeld en glashelder uiteengezet.
Wat de mensch door de zonde is geworden en wat hij door de genade der rechtvaardiging wordt, is daarbij duidelijk, in 't licht gesteld.
Daarop volgt nu in hoofdst. 5 en vervolgens de beschrijving van de vruchten der rechtvaardiging. Allereerst noemt de apostel daartoe den vrede met God. Immers, zoo lezen we:
„Wij dan gerechtvaardigd zijnde, uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.”
Vrede bij God, om ook maar eenigszins de grootheid van deze weldaad te overzien, denken we aan wat het zegt:
Dien vrede te missen;
Dien vrede te verwerven;
Dien vrede te bezitten;
Dien vrede te genieten.
Alzoo hebben we dan vier verschillende gezichtspunten, waaruit we deze waarheid zullen trachten kort te overzien, Gemis van den vrede bij God, doet ons als in een paar woorden saamgevat verstaan, geheel den ellendestaat, waar Adam en geheel zijn geslacht in is gekomen door de zonde. In den staat der rechtheid genoot de mensch vrede bij God.
Er was geen oorzaak, welke dien vrede kon verstoren. Zoodra echter Adam had gezondigd was de vrede weg, angst en vreeze kwamen daarvoor in de plaats. Adam vluchtte voor en van God. De zonde was geschied, de gevolgen bleven niet achter. De overtreding aan Gods gebod gepleegd, als Verbondshoofd, kwam door één mensch in de wereld, maar in en door dien eenen is geheel het geslacht van Adam zondig en schuldig geworden voor God.
Al de ellende van den natuurlijken mensch is in die weinige woorden saam te vatten: Geen vrede bij God. Ach wat heeft men al gedaan, en wat doet men nog om dien vrede te zoeken en te vinden buiten God, maar helaas! alles vruchteloos en te vergeefs. Al die onrust, al dat jagen, al die onvoldaanheid met alles, is, omdat de ware vrede wordt gemist.
Luther zocht het in een klooster, hij zocht het in Rome, hij zocht het in zelfkastijding, maar hij vond het niet. Zoolang de zonde als oorzaak niet is weggenomen, kan er van vrede bij God geen sprake zijn.
De mensch van God afgevallen is een vijand van God geworden. Hij is een verbreker van Gods verbond, een opstandeling tegen Zijnen Maker, in één woord: er is een klove ontstaan tusschen God en den mensch, die door geen schepsel kan gedempt worden. Zal er vrede met of bij God komen, dan moet er een vrede verworven zijn. Dat kan de mensch niet, die Gods beeld door de zonde heeft verloren, en met dat beeld al zijn heerlijkheid.
Door de zonde is de mensch geworden onmachtig tot eenig geestelijk goed. Maar hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God Zijnen Zoon zendende in de gelijkheid des zondigen vleesches, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch.
Zoo gaat het licht op in de duisternis. Zoo heeft het Gode behaagd in Zijn eeuwige en ondoorgrondelijke liefde, zich over het gevallen geslacht van Adam te ontfermen, wat een Paulus spreken doet van vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. De schuld moest betaald, de zonde verzoend en aan de gerechtigheid Gods genoeg worden gedaan, zou er ooit van vrede met God, voor een Adamskind kunnen sprake zijn.
In Christus, Jehovah, de Heere onze Gerechtigheid, is vrede. Hij is onze vrede. Hij, die den vrede bewerkt en verkregen heeft, door Zijn bloed.
God de Heere kan zichzelf niet verloochenen. De waarheid en de gerechtigheid Gods moeten gehandhaafd, en de mensch, die zijn oorspronkelijke gerechtigheid in het paradijs verloor, kan zonder gerechtigheid voor God niet bestaan. Van de zonde verlost worden zegt veel, maar niet genoeg, om zalig te worden. De verdoemenis moet gesloten, maar ook de hemel moet geopend worden.
Daartoe nu kwam Gods Zoon op aarde, als de Gegevene des Vaders, vol van genade en waarheid, waartoe al Zijn lijden en die vreeselijke dood, maar daartoe ook de opstanding en de luistervolle verheerlijking des Heeren, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
Zoo ligt alle grond van zaligheid buiten den mensch. Gij, geloovigen, zegt de apostel, zijt volmaakt in Hem.
Heeft Christus uwe zonde in Zijn lichaam gedragen op het hout, en ook voor u aan het kruis uitgeroepen, dat alles volbracht is, wat de Wet eischt, dan is er ook geen verdoemenis meer voor degenen, die in Christus Jezus zijn.
Gegeven van den Vader tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing, dus hebben we in die gifte des Vaders alles, wat noodig is, om rechtvaardig voor God te zijn. Niet in dien zin, alsof ge nu van een zondig schepsel een rein en heilig mensch zoudt geworden zijn, o neen, ook de geloovige is en blijft, in hemzelve aangemerkt, een zondaar. Maar de gerechtvaardigde mensch is door God rechtvaardig verklaard, en niet gelijk de roomsche leer zegt: rechtvaardig gemaakt. Zoo komen we tot bet bezitten van de zaak, gelijk we in den tekst lezen: wij hebben vrede met God, wij nl. die voor God gerechtvaardigd zijn. Joden en Heidenen, van welke afkomst ook, onder de Nieuw Testamentische bedeeling worden ze geroepen uit alle volken, geslachten, talen en natiën.
Uit die allen vergadert Christus Zijne gemeente door Zijn Woord en Geest. Van dezen wordt nu gezegd: zij hebben vrede bij God, dat is vrede, die alle verstand te boven gaat. In die weldaad zijn alle andere weldaden begrepen. Vrede bij God is die zalige kalmte des gemoeds, gewerkt door den Heiligen Geest, die met onzen geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Nu geen vijanden, nu geen vreemdelingen meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods. Bezitters alzoo van een kapitaal dat de mot niet kan eten, en dat de roest niet kan verderven, maar dat blijft in alle eeuwigheid.
Dat is de roemtaal des geloofs, als Gods kind, zich deze weldaad bewust, met toeëigening zeggen kan en mag: wij hebben niet we denken, of we hoopen, maar we hebben, vrede bij God. Vrede, waar we rekenschap van geven met te zeggen: wij zijn gerechtvaardigd uit het geloof.
Met die vrijspraak in de vierschaar des Allerhoogsten, kunt ge dan ook zeggen: wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods.
Heerlijk, onuitsprekelijk heerlijk en onschatbaar is deze geloofsvrucht, want hier moet wel op gelet: niet uit de werken, maar alleen en uitsluitend door het geloof is Gods kind rechtvaardig voor God. Daarop legt ook Paulus nadruk, met te zeggen: wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof. Dat is een geheel andere rechtvaardiging dan van den farizeër, die wel in den tempel kwam en bad, maar die zich zelven rechtvaardigde. Ach, hoe velen doen helaas nog hetzelfde.
De tollenaar ging af gerechtvaardigd naar zijn huis. Deze bouwde en vertrouwde niet op eigen gerechtigheid, maar op de gerechtigheid van een ander, namelijk van den eenigen Borg en Middelaar Jezus Christus. Bewust van die weldaad, vrede bij God te hebben, bezit ge wat noodig is, om getroost te kunnen leven en zalig te kunnen sterven. Immers dan kunt ge, op Gods getuigenis gegrond zeggen: hetzij dat wij leven, hetzij, dat wij sterven, we zijn des Heeren.
In dat „wij hebben”, ligt al den rijkdom der geloovigen. Dat ziet en dat kent de wereld niet. Daar lacht en daar spot het ongeloof mee. Maar Gods kind heeft er genietingen in, zooveel en zoo groot, dat zulks nooit naar eisch in woorden kan worden uitgedrukt.
Om nog maar dit ééne te noemen: dan zijn al Gods beloften, beide voor dit en het toekomende leven in Christus Jezus, ja en amen, ook voor u. Meer kunt ge niet verlangen. Dan hebt ge een Vader in den hemel, die Zijne kinderen zoo innig lief beeft, en die machtig en bereidwillig is, om hen te geven, alles wat ze noodig hebben.
Dan hebt ge in Jezus uw Gids en Leidsman, uw Borg en Voorspraak, die eeuwig leeft om voor de Zijnen te bidden.
Dan zal ook de Heilige Geest u onderwijzen en troosten.
Dan is in één woord God uw God, bij wien uitkomsten zijn zelfs tegen den dood.
Nu moet hierbij alleen dit eene nog wel worden opgemerkt, dat bezitten en genieten nog onderscheiden zijn. In het geestelijke is het in dezen, evenals in het natuurlijke. Er zijn menschen die veel bezitten maar weinig genieten. Hoe komt dat? De vraag is welk gebruik we maken van de weldaden, door God ons geschonken. De mensch, ook de Christen is en blijft altijd en in alles een afhankelijk schepsel. Als de Heere zijn aangezicht verbergt, dan worden we verschrikt. Er komen zooveel dagen, dat de lucht bewolkt is, en dat we in 't geheel geen zon zien. Maar daarom is er de zon wel, maar zij is voor onze oogen verborgen.
Waren de geloovigen zonder zonde, en konden Gods kinderen volstrekt heilig leven, er zouden niet zoo gedurig belemmeringen zijn voor hun geloofsgezicht. De oude vromen plachten, met het oog daarop, wel eens te zeggen: de zwakheden en struikelingen zullen Gods kinderen niet uit den hemel houden, maar wel kunnen zij den hemel uit hun ziel houden. Dan lijdt de vrijmoedigheid des geloofs schade: Dan durft men niet zeggen: Ik heb vrede met of bij God en Gerechtvaardigd zijnde uit bet geloof hebben wij, maar ook door het geloof genieten we, vrede bij God. Maar, dat gevoelt ieder, dan moet ons geloof geen dood, geen werkeloos, maar een werkzaam geloof zijn.
Hierop wordt in den regel maar al te weinig gelet.
En nu is het wei waar, dat gewaarborgd te zijn voor zijn staat voor de eeuwigheid, hoofdzaak moet zijn en blijven, maar we herhalen: genade te bezitten en genade te genieten is altijd nog onderscheiden. Overal worden we daarom in de H. S. opgewekt om ons te benaarstigen om in te gaan in de rust.
Om op te wassen in de genade en in de kennis van onzen Heere Jezus Christus, en om vrucht te dragen, waardoor God wordt verheerlijkt.
Wie vrede met God geniet, niet slechts bezit, maar geniet, die zal den vromen Asaf kunnen nazeggen:
Wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op de aarde. Wat is dat een zalig leven, een leven zonder ergernissen als zoodanig. Wat is men dan aangenaam en gemakkelijk voor zijn medemenschen, want vrede met God, doet ook de broederen liefhebben.
Dan denkt men niet hoog van zich zelf, want men weet het zoo goed, alles wat we hebben en zijn, danken we aan de vrije genade Gods.
Dan zijn we van alle slaafsche vrees verlost, ook tegenover den dood. Dan zijn we verlost van den vloek der wet. Dan hebben we in en door Christus een vrijen toegang, door eenen Geest tot den Vader. Ja wat meer zegt, dan wordt bij oogenblikken gekend een heimwee naar den hemel, waar zooveel van Gods lieve kinderen ons zijn voorgegaan, en waar de volle zaligheid Gods verloste kinderen wacht.
Mozes zag van de hoogte van Pisga de lengte en de breedte van het beloofde land, maar hij mocht er niet inkomen, maar als gij gunstgenooten des Heeren eens op de berghoogte des geloofs moogt staan, dan zult ge veel, zeer veel zien, en bij dat zien zal dan Gods Geest u tevens zeggen: dat is de heerlijkheid ook voor u bereid van voor de grondlegging der wereld.

Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn aile dingen, Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1920

De Wekker | 4 Pagina's

Vrede bij God

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1920

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken