Bekijk het origineel

Dat ware brood uit den hemel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dat ware brood uit den hemel

10 minuten leestijd

„Mozes heeft U niet gegeven het brood uit den hemel, maar mijn Vader geeft U dat ware brood uit den hemel.”Johs. 6 : 33b.

Omtrent vijfduizend menschen zijn door Jezus wondermacht gevoed met vijf gerste brooden en twee vischjes. En toen allen hadden gegeten en verzadigd waren, werden nog twaalf korven gevuld met de overgeschoten brokken.
Toen dit alles was geschied vertrok de Heere met Zijne discipelen naar de andere zijde van de zee en kwam te Kapernaum.
Weidra kwamen de menschen van alle kanten daarheen, wat Jezus aanleiding gaf om tot hen te zeggen:
Voorwaar zeg Ik u, gij zoekt mij, niet omdat gij teekenen gezien hebt, maar omdat gij van die brooden gegeten hebt. Werkt niet om de spijs die vergaat, maar om de spijs die blijft tot in het eeuwige leven. Wat zullen wij doen, zoo vragen de Joden, opdat wij de werken Gods mogen werken?
Kort maar krachtig ontvangt men daarop tot antwoord:
Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft.
Nu wil men een teeken, en een antwoord op de vraag: wat werkt gij, opdat wij het mogen zien en u gelooven. Maar was dit dan geen teeken, wat ze hadden gezien in die broodvermenigvuldiging?
Had de Heere daar geen afdoend bewijs mee gegeven van Zijn hooge afkomst, van Zijne macht en heerlijkheid?
Zeker, maar dat was hun, die nog geestelijk blind waren niet genoeg. Neen zij beriepen zich op Mozes.
Onze vaders zeggen zij, hebben het manna gegeten in de woestijn. Dit was ook brood uit den hemel. En wat zegt de Zaligmaker nu?
Voorwaar voorwaar zeg ik u, Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel, maar mijn Vader geeft u dat ware brood uit den hemel.
Het manna in de woestijn was wel een kostelijke gave, waardoor dat groote leger al die jaren in de woestijn is gevoed en onderhouden, en wel toonde de Heere daarin Zijn macht, Zijn goedheid en liefde over het volk door hem verkoren, maar dat Manna was slechts spijs voor het lichaam. Dat waarborgde niet tegen den dood. Men kon een manna-eter geweest zijn en nog voor eeuwig verloren gaan. Er lag in dat manna wel iets typisch, dat naar een ander manna wees, namelijk naar de spijs, waarbij men leven kan tot in alle eeuwigheid.
Grooter, oneindig grooter was de gave nu van God geschonken in Hem, die het brood des levens is, en waarvan de Heere zoo met nadruk zegt: mijn Vader geeft u, dat ware brood uit den hemel. Dat is het brood, dat uit den hemel is nedergedaald. Niet gelijk uwe vaders het manna hebben gegeten en zijn gestorven. Wie dit brood eet, zal in der eeuwigheid leven.
Hadden de vaderen in de woestijn, zooveel eeuwen te voren in groote weldaden gedeeld en de zorgende liefde Gods genoten. Wie beschrijft naar eisch de grootheid van de weldaad, begrepen in die woorden: mijn Vader geeft u dat ware brood uit den hemel.
Koningen en profeten hadden begeerd te mogen beleven, wat voor dit geslacht was weggelegd. Hem in hun midden te mogen zien, die de eenige maar volkomene Zaligmaker van zondaren is.
Zoo lief heeft God dan ook de wereld gehad, dat Hij Zijnen Eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Zonder geloof kan men Gode niet behagen. Zonder geloof geen gemeenschap met Christus. Alleen door het geloof is het mogelijk om de geestelijke spijs in Christus geschonken, geestelijk te genieten. Had men die Gave gekend, wat zou men er zich in hebben verheugd. Wat al stof had men dan gekend om Gode te danken voor de weldaad, zoo groot, dat geen andere weldaad hiermee is te vergelijken.
Onvoorwaardelijk en zonder eenige nadere bepaling spreekt Jezus het uit:
„Mijn Vader geeft U dat ware brood uit den hemel.”
Niemand heeft het recht om te zeggen: daar ben ik van uitgesloten. Dat is het zuivere evangelie, dat tot allen komt, gelijk Christus ook later Zijnen dienaren beveelt: „predikt het evangelie allen creäturen.”
Dat is met andere woorden, de roeping Gods, die lot allen komt, die onder het evangelie leven. Wie dit ontkent of daaraan tornt, die doet de waarheid Gods te kort. En omdat die Gave Gods, dat ware brood uit den hemel tot allen komt, ligt het ook voor ieders verantwoording hoe men zich daartegenover aanstelt. Daarmee willen we niet zeggen, men versta ons wel, dat het nu maar aan den mensch zelf ligt of hij zal behouden worden of verloren gaan, dat is geheel wat anders. Dat is de leer van het Pelagianisme.
Wederlegging van deze dwaling lezen we in vs. 44, waar de Heiland zegt: Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke. We hebben bij elke weldaad, die God ons schenkt, een tweede weldaad noodig, die ons bekwaamt om van alles een recht gebruik te maken.
En we zien het hier, al staat Gods Zoon, in de menschelijke natuur voor ons, en al hooren we uit Zijn eigen mond, dat dierbaar eeuwig gezegend onderwijs, als we niet door de trekkende daad des Vaders, en door de verlichting van den Heiligen Geest worden voorbereid en bekwaamd, dan neemt men de Gave Gods in Christus geschonken niet aan, maar verwerpt die.
Wat doen de Joden, op de prediking van Christus, zij ergeren er zich aan en zij murmureeren. Zij toonen dat zij van dat heerlijk onderwijs bun geschonken niets verstaan.
Toch was dit onderwijs zoo hoogst eenvoudig en zoo duidelijk als het kan. Maar het woord Gods is geestelijk. Dat verslaat de natuurlijke mensch niet. Wie het door Gods genade verstaat, die zegt amen op het Woord, wat Christus de Heere hier in de Synagoge te Kapernaum predikt. Dan geeft ge ook uw geld niet langer uit voor hetgeen geen brood is, noch uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan. Dan hoort ge aandachtiglijk naar Hem, die uit eeuwige liefde uit den hemel nederdaalde, om armen en ellendigen met hemelsch brood te voeden en te verzadigen.
Heeft dat brood, dat ware brood uit den hemel voor anderen geen waarde, wordt dit helaas, door velen verworpen en veracht, allen die gelooven is Christus dierbaar. Zoo dierbaar, en van zulk een onschatbare waarde, dat we Paulus gaarne willen nazeggen: „wij achten alle dingen schade en drek te zijn, bij de uitnemendheid der kennis van Christus.”
Elke gave, die God ons schenkt, is op zichzelf genomen groot, naardien we door onze zonden alles hebben verbeurd en op niet eene weldaad recht noch aanspraak hebben.
Maar de Gave in Christus geschonken, als dat ware brood uit den hemel, overtreft alles. Wie daar geen deel aan heeft, gaat voor eeuwig verloren, want er is onder den hemel geen anderen naam gegeven, door welken wij moeten zalig worden. Tenzij, dat gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en Zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in u zelven, zegt de Heere.
Als we het eigenlijke brood voor ons zien toebereid om te eten, dan weten we, daar is heel wat aan voorafgegaan, eer we het brood als brood op onze tafel zagen.
Wordt ons nu Christus gepredikt, die het brood des levens is, dan kunnen we ook nooit ernstig genoeg denken, aan hetgeen met die Gave in Hem geschonken, in verband staat.
Al Gods besluiten zijn van eeuwigheid, ook dat besluit der Verlossing van zondaren, maar in den tijd voert God zijn besluiten uit. Zoo was dat in den raad des Vredes van eeuwigheid vastgesteld, dat de Zone Gods in de volheid des tijds, de menschelijke natuur zou aannemen, den broederen in alles zou gelijk worden, uitgenomen de zonde.
Hoe wondervol die geboorte uit Maria, die aankondiging door een engel uit den hemel, die wegbereider in Johannes den Dooper.
Welk een ontzaglijke diepte van vernedering waarin Christus moest afdalen, die om onze ongerechtigheden is verbrijzeld, en den vloekdood op Golgotha sterven moest, zou hij door zijn bitter lijden en sterven, een eeuwige gerechtigheid verwerven, en een vloek voor ander geworden, deze van den vloek kunnen verlossen. Dat alles staat in het nauwste verband met de woorden: mijn Vader geeft U dat ware brood uit den hemel. Ach zooveel is er waar de menschen naar grijpen, en wat voor het ware brood wordt aangezien, doch waar men onmogelijk eeuwig bij leven kan.
Door ongeloof verblind, kent de arme mensch zijn eigen behoefte niet. Men meent gezond te zijn en men is doodelijk krank, en heeft daarom den Medicijnmeester Christus niet van noode. De parel van groote waarde wordt in Christus den menschen voorgehouden, maar wij zien de schoonheid, en kennen de waarde van dien parel niet. Men zoekt en vraagt ten slotte naar verontschuldiging, maar die gelden voor God niet. De Geest is het die levend maakt.
Deelt ge in die levendmakende werking van den Geest, dan ziet ge, wat ge te voren niet zaagt. Gaat uwe ziel dan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, dan vindt ge in Christus, dat brood uit den hemel nedergedaald, de spijs, waarbij men leven kan tot in eeuwigheid.
Dan zult ge die Gave hoog schatten en waardeeren. Dan verstaat ge wat een Paulus zegt, als deze apostel van Christus getuigt, dat Hij ons leven is.
Zoo menigmaal worden de woorden, hier boven geschreven, in de H. S. gelezen, zonder er goed bij na te denken, wat ze eigenlijk zeggen en bedoelen. Zoo velen maken er zich dan ook zoo gemakkelijk af als men hen wijst op hun roeping en verantwoordelijkheid. Velen kunnen het maar volstrekt niet gelooven, dat het evangelie ook tot hun komt, met die heerlijke waarheid: Mijn Vader geeft u dat ware brood, uit den hemel. Maar zeggen we op onze beurt: de algemeene roeping is toch niet tegen te spreken.
En nu weten we wel, dat de algemeene roeping op zich zelf genomen, niet genoeg is tot zaligheid, maar zij wijst dan toch den zondaar de weg, die tot de eeuwige zaligheid leidt. En wat ge daartoe noodig hebt wil de Heere uit genade schenken, aan hen, die 't bij Hem zoeken en vragen.
Om van de brooden te eten en van krankheden genezen te worden, zouden nog velen tot Jezus komen, als de Heere andermaal, op dezelfde wijze op aarde rondwandelde. Om vergeving van zonde en vrede met God te verkrijgen is noodig, dat de Heilige Geest ons verlicht, dat de Heere zelf uw gewillig en bekwaam maakt, dan zal Hij, die Israëls Ontfermer is, 't behoeftig volk in hunne nooden, in hun' ellend en pijn, gansch hulpeloos tot Hem gevloden, gewis ten redder zijn. Kan het oude volk Israël, dat God de Heere met manna in de woestijn had onderhouden, lezen we van een geheel eenige geschiedenis, waarin als van blad tot blad Gods hand is op te merken, ook het geestelijk Israël kan getuigen van de wonderen en goedertierenheden des Heeren.
In de woestijn moest het volk elken dag bij vernieuwing brood ontvangen, en zoo hebben ook Gods kinderen als het geestelijk Israël, eiken dag noodig, zal het wel zijn, ge genieting van het ware brood Christus. Dat heeft plaats door voortdurende geloofsoefening met Hem, die de goede Herder Zijner schapen is. Dan kunt ge in allen druk het hoofd moedig opheffen en bij, elke moeielijke taak met een Paulus zeggen: Wij vermogen alle dingen, door Christus, die ons kracht geeft.

Dat zal de hemelen eens doen gewagen van Gods lof, en al de gekochten door Jezus bloed, bun lofzang Gode doen wijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1920

De Wekker | 4 Pagina's

Dat ware brood uit den hemel

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1920

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken