Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze Synode (17)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze Synode (17)

4 minuten leestijd

Natuurlijk bracht de zoo sterk geforceerde instructie van de provincie Zeeland op de Synode te Leeuwarden 1891 nog al wat meeningen naar voren.
Gelijk bij ons ter Synode werd ook hier 't eerst aan de praeadviseurs hun oordeel gevraagd.
Op onze Synode was 't oordeel der prae-adviseurs in zake 't reglement van 69 nog al aardig éénstemmig, op de Synode te Leeuwarden was zulks niet het geval.
Daar vond men in het prae-advies het gevoelen weer, dat in de geheele kerk leefde daar een gedeelte het reglement als niet vrij van collegialisme achtte en een ander gedeelte deze meening met hand en tand weerstond.
Vooreerst treft het, dat hier Prof. Barinck de leiding heeft en dat zijn voorstel door de provincie Zeeland overgenomen, op 't laatst door de Synode met meerderheid van stemmen is aangenomen.
Maar dan vergete niemand, dat de instructie voor Zeeland, waardoor heel 't reglement van 69 als collegialistisch werd gestempeld, van de tafel is gegaan en in 't aangenomen voorstel geen enkel van Zeeland's punten is genoemd.
Het blijkt, dat de kerk nu niet met dit reglement zoo bijzonder in haar schik was, maar dat zij het woord van een der prae-adviseurs van hooge beteekenis achtte en geheel in diens geest heeft besloten,
De gedrukte notulen geven ons de indruk van hoe groot gewicht het advies van den laatsten prae-adviseurs is geweest. Wij lezen in de notulen
„De laatste prae-adviseur heeft tegen de voorgestelde wijziging geen principieel bezwaar, maar durft het reglement zeer wel verdedigen, tegen ieder, die zulks begeert.
Zoo weinig collegialistisch is het, dat zelfs een enkele gemeente in Gelderland, gemeente onzer kerk is, zonder bij dat reglement bij de Regeering bekend te zijn.
En dan eindigt dit advies met de o. i, zeer juiste opmerking.
En als sommigen 't Reglement een knellende band noemen is spreker zoo vrij, die band een spinrag en niets meer te noemen. Onze band ligt in art. 36 der Dordtsche kerkorde.”
Het heenwijzen naar art. 36 D. K, is hier van beteekenis.
Dat artikel luidt:
„het zelfde zeggen heeft de Classis over den Kerkeraad, hetwelk de Particuliere Synode heeft over de Classis, en de Generale Synode over de Particuliere”.
Ik stel mij voor wanneer eens een juridische interpretatie of verklaring van dit artikel moest worden gegeven de rechtbank nooit anders dan in echt collegialistischen zin het standpunt zou handhaven, dat het bestuur over heel de Kerk wordt uitgeoefend door een Aigemeene Synode.
Want wij moeten ons niet vast zetten in de waan dat bij aldien de Chr. Geref. Kerk inplaats van het Reglement van 69 de Dordsche kerkorde zou inzenden, de Regeering ons nu naar zuiver prestbyteriaal kerkrecht zou behandelen.
Dat kan de Regeering niet doen om de eenvoudige reden dat zij niet voor alles waagt. Wat zegt de Dordsche Kerkorde; maar wat zegt de wet van 1853 op de Kerkgenootschappen. Niet de Dordsche Kerkorde verklaart de wet, maar juist omgekeerd, de wet verklaart de Kerkorde en de wet kent slechts het collegialistisch Kerkrecht.
Wanneer wij als kerk niet naar de wet van 53 bekend, maar naar de wet van 55 erkend zouden zijn dan zouden de zaken nog eenigszins anders slaan. Naar de wet van 55 heeft de Regeering alleen te vragen wat zeggen ons statuten, die Koninklijk goedgekeurd zijn en heeft daarnaar uitspraak te doen.
Maar van een Koninklijke goedkeuring is noch bij de inzending van de Dordtsche Kerkorde, noch van het Reglement van 69 sprake.
Dit zijn slechts bloote mededeelingen aan de Regeering, die daar ook alleen als kennisgeving worden aanvaard. Dat dit en niet iets anders den bedoeling van de wet op de Kerkgenootschappen is blijkt als in 't slot van art. I der wet van 53 wordt gezegd:
„Voor zooveel er zich onder de bepalingen bij dit artikel bedoeld, eenige bevindt, welke medewerking van het Staatsgezag vereischt, wordt die medewerking niet verleend, tenzij de bepaling door ons is goedgekeurd.”
Wanneer dus in de kerkelijke bepalingen maar niets voorkomt, waarin het Staats-gezag wordt betrokken, dan aanvaart de Regeering de Dordtsche Kerkorde of het Reglement van 69 als kennisgeving. In hoeverre nu zulk een bloote kennisgeving rechtsbasis bij een eventueele procedure kan zijn, wil ik hier nu niet onderzoeken, maar het lijkt mij toe, dat deze rechts-basis ontbreekt.

Zoo wordt het bij eenig nadenken duidelijk, dat de diepste grond van heel de kwestie maar is de vraag „wat zendt gij in bij de Regeering, de Dordtsche Kerkorde of het Reglement van 69”, maar de kwestie ligt in de wet van 1853.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1920

De Wekker | 4 Pagina's

Onze Synode (17)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1920

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken