Bekijk het origineel

Drievoudige Verlossing

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Drievoudige Verlossing

10 minuten leestijd

„Die ons uit zoo grooten dood verlost heeft, en nog verlost, op welken wij hopen, dat Hij ons nog verlossen zal.” 2 Cor. 1 : 10.

Het woord „verlossing” is van een zeer welluldenden klank.
Dat woord neemt in het woordenboek onder Nederlandsche taal, een geheel bijzondere plaats in.
Want hoe ook gedacht, altijd onderstelt Verlossing, gevaar, benauwdheid, lijden of iets dergelijks. En wie beschrijft al de gevaren en nooden, waaraan het leven van de kinderen der menschen onderworpen is.
Wij denken dan aan lichaamslijden, aan zielelijden, aan tijdelijke gevaren van verschillenden aard, en om niet meer te noemen aan 't gevaar om voor eeuwig om te komen.
In bovenstaande woorden lezen we van een drievoudige verlossing.
Een verlossing in 't verleden, een verlossing voor het heden, een verlossing in de toekomst. Denk dit even in, en onwillekeurig zegt en denkt ge dan: Wat is Gods Woord toch rijk van inhoud.
Een drievoudige verlossing in zulk een kort bestek vermeld. Paulus brengt dit in verband met hetgeen hij in de eerste verzen van dit hoofdstuk heeft gezegd, waar hij den God aller vertroosting dankt, „die ons vertroost in al onze verdrukkingen”, met de opmerking er bij, dat al die verdrukking der dienaren moet dienen tot vertroosting en zaligheid van anderen.
Hebben nu de geloovigen te Corinthe gemeenschap aan het lijden, zij zullen ook gemeenschap hebben aan de vertroosting.
Al de beproevingen welke Gods kinderen in dit leven onderworpen zijn, moeten dienen, om hun vertrouwen van alle schepselen af te trekken en op God alleen te stellen, die de dooden levend maakt, en de dingen roept, die niet zijn, alsof ze waren.
En dan volgt dat heerlijke getuigenis van een drievoudige verlossing. Eerst in dat zeggen: Die ons uit zoo grooten dood verlost heeft, 't Is moeielijk uit te maken, of Paulus hier op een enkel bijzonder geval ziet, of dat hij al den nood, door hem doorleefd, in dat eene samenvat.
Wij weten in elk geval, dat de apostel in vele gevaren heeft verkeerd. In het elfde hoofdst. van dezen brief noemt Paulus: herhaalde malen gegeeseld, schipbreuk geleden, onder moordenaars-gevallen, gevaren van valsche broeders, gevaren van zijn geslacht, gevaren overal.
Maar zelfs toen men hem eenmaal gesteenigd, voor dood de stad had uitgesleept, was Paulus niet dood.
Altijd en in alles had de Heere hem nog gered, Toen men onder een duren eed, gezworen had hem te zullen ombrengen, mislukte die booze opzet der vijanden, de Heere verloste Zijnen dienaar, en tot roem van Gods genade, brengt hij het der gemeente in herinnering: het was de Heere, die in vorige tijden hem verlost had.
En wat dunkt u, als we zingen in de gemeente:
'k Zal gedenken hoe voor dezen, ons de Heer' heeft gunst bewezen, Ik zal de wonderen gadeslaan, die Gij hebt van ouds gedaan”, zullen er dan niet altijd kinderen Gods zijn, die terug geleid in eigen geschiedenis, aan de verlossingen en uitkomsten door God bereid, worden herinnerd.
Daarvoor behoeft ge immers nog geen geschiedenis en nog geen roeping gehad te hebben als een Paulus. Gij kwaamt door ontdekkend licht des Heiligen Geestes, tot het zien van uw zonde en van uwen ellendigen toestand voor God. Onrein en melaatsch van 't hoofd tot de voeten.
Ge miste den vrijmoedigen toegang tot den troon der genade,  
Gij mistet dat helder inzicht in den weg der Verlossing, en toen dan alle hoop u gansch ontviel, en niemand zorgde voor uw ziel, — och wat was dan de benauwdheid groot, hoe werd ge met wanhoop bedreigd, —
maar door den Heere gered, moogt ge dan nu, met het oog daarop ook zeggen: uit grooten dood gered en verlost te zijn.
Of ge laagt wellicht, naar het scheen, in een doodelijke krankheid. Geslagen op uw leger, weenend als een Hiskia.
Menschen zeiden gij zult sterven, maar boven alle menschelijke verwachtingen, werd ge opgericht. Ge zoudt niet sterven, maar leven. Of, maar neen, waartoe meer.
Als het ons aan opmerkzaamheid maar niet ontbreekt, dan zal iedere volgeling van Jezus leeren, wat het zegt, dat we door vele verdrukkingen moeten ingaan.
Maar ook, dat het aan stof niet ontbreekt, om met den gewijden dichter te getuigen: God, die helpt in nood, is in Sion groot.
Die ons uit zoo grooten dood verlost heeft en nog verlost. In dat nog „verlost” lezen we van een andere verlossing, welke geen betrekking heeft op het verledene, maar die bepaald ziet op het tegenwoordige. Het is naar de taal der Heilige Schrift, dat we niet lezen van grooten nood maar van grooten dood. Daardoor krijgt de nood waarin we verkeeren een te grooter beteekenis.
Alle nood is nog geen doodsnood.
Toch was van zoodanigen aard de nood, waarin Paulus herhaalde malen had verkeerd. Daarbij was het om zijn leven te doen. En nu, wat het tegenwoordige betreft, Paulus was wel voortdurend in allerlei gevaar. Ik heb ulieden, zoo lezen we in cap. 2 : 4, ik heb ulieden uit vele verdrukking en benauwdheid des harten, met vele tranen geschreven, maar toch was de verschooning des Herren nog over hem. Nog verlostte hem de Heere, van het ergste. De vijanden konden niet doen wat zij wilden.
Daarom kon de apostel zeggen, het is de Heere, die ons niet alleen verlost heeft, maar die ons nog verlost.
Gelukkig die het ziet, en die het tot roem van Gods ontferming erkent, alles wat ik ben en wat ik heb, is geen vrucht van eigen akker. Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat we niet vernield zijn.
Dan vragen we niet: ben ik de grootste, de voornaamste, de rijkste, de geleerdste,maar dan rekenen we met hetgeen we hebben verdiend, en hoe God de Heere nu aan een zoodanig alles verbeurd hebbend schepsel, nog van dag tot dag en van oogenblik tot oogenblik, zijne weldadigheid en trouw komt groot te maken.
Een vrouw die in groote ellende verkeerde en dagen lang sprakeloos was, werd midden in den nacht wakker, stond op, knielde voor haar bed en haar spraak teruggekregen, riep zij overluid:
O God! Ik ben er nog, zij riep haar huisgenooten en stortte hare ziel uit voor God.
O wat was het haar groot, dat ze nog niet brande in de hel, maar dat het ook voor haar nog de tijd der genade was.
We moeten het maar zien, wie en wat de Heere voor ons is, zullen we met een toeëigenend geloof van verlossing kunnen spreken.
Verlossing niet slechts van anderen, maar verlossing voor u zelven.
Ja dan volgt ook het andere, wat een Paulus zeggen doet: op welken wij hopen, dat Hij ons ook nog ver ossen zal. Zag Paulus daarmee op tijdelijke verlossing of op de verlossing die hem wachtte, bij de verbreking van zijn aardschen tabernakel?
Wij weten, dat het met onderwerping aan den wil des Heeren, des apostels vurige wensch en begeerte was, om alom het evangelie te prediken en de gemeente te versterken en te vertroosten. Met het oog daarop spreekt Paulus meermalen zijn verlangen uit, om hetzij in Corinthe, in Filippi in Efeze, of waar dan ook, op te treden, maar afgedacht hiervan, stond in elk geval dezen man Gods gedurig voor den aandacht de groote verlossing, welke ook hem eens te wachten stond en waar hij getuigenis van gaf door te zeggen:
Ontbonden te worden en met Christus te zijn, is mij zeer verre het beste. Heerlijk was de verlossing, als na gevangenis ondergaan te hebben, de vrijheid weer verkregen werd, maar het leven bleef desniettegenstaande bezwarend.
Er waren zoovele tegenstanders, die het werk der apostelen trachtten te verijdelen. Er was zooveel teleurstelling aan het apostelschap en aan de evangeliebeding verbonden.
Maar hoe dit ook ware: Gods beloftenissen zouden nimmer haar vervulling missen. Aan het einde zijner aardsche loopbaan gekomen, spreekt Paulus in één zijner brieven aan Timotheus, het uit: „Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop voleind, ik heb het geloof behouden.”
Al moet Paulus dan door beulshanden omgebracht, den marteldood sterven, wat nood, nu de man zich bewust is, de volkomene verlossing in en door Jezus Christus den Heere. Als de man dan van zijn God getuigt en zegt: Wij hopen, dat hij ons ook nog verlossen zal, dan zal dit in elk geval de grootste, de heerlijkste verlossing zijn.
Die hoop is geen doode, maar een levende hoop.
Op die verlossing heeft Paulus steeds gewezen in de gemeenten, hij heeft die verlossing in Christus Jezus alom gepredikt, en waar hij anderen mee troostte, is hij ook door getroost geworden. Dat is en blijft de rijkdom der geloovigen, tegenover de armoede van de kinderen der wereld, die niet weten wat het is, om al hun heil in God te hebben.
Als die levende hoop op de Verlossing ons deel mag zijn, dan zullen we niet beschaamd worden in den dag der toekomst.
In vs. 20 wijst Paulus op de zekerheid en vastheid van alle Gods beloften. Gevaren, en moeielijkheden van allerlei aard blijven het tegenwoordige leven van Jezus discipelen kenmerken, maar ter hunner vertroosting heeft de Heere gezegd: Ik heb de wereld overwonnen.
En die in Hem gelooft, zal uit en door Christus eens overwinnen.
Uit zoo grooten dood verlost, zoo getuigt de man, die in vele en in velerlei gevaren had verkeerd. Het grootste van al die gevaren was ongetwijfeld geweest, toen de man aan zich zelven werd ontdekt, en gewaar werd, dat de ijverige farizeër, gelijk hij was, met al zijn eigengerechtigheid, op weg was naar het eeuwige verderf.
Wat zou er van hem zijn geworden, als de Heere zich zijner niet had ontfermd! Maar gegrepen door Christus Jezus, gelijk hij later getuigde, was hij voor eeuwig gered. De vervolger van Jezus, werd nu een prediker van den gekruisten Christus, van wien hij getuigde, alle dingen schade en drek te achten, bij de uitnemendheid der kennis van Christus. Uit zoo grooten dood verlost.
Uit dit gevaar en uit dien nood kan de gansche wereld niet één zondaar redden. Doch, ais de Heere Zijne genade verheerlijkt, dan is geen zondaar te oud of te jong. Al waart ge dan de grootste van alle zondaren, dan is de genade tot alles genoeg. Zoovele voorbeelden bewijzen het, hoe groot dan de verandering is, als een vijand een vriend, als een vervolger een prediker wordt van Christus.
Wij hopen, wij zegt de apostel en daarin zijn ook begrepen, alle oprecht geloovigen. Ja zij hopen, dat de Heere hen nog zal verlossen uit allen nood, en ten laatste, uit den doodsnood. Die hoop is gegrond in Gods beloften. Zij is gewaarborgd in de kruisverdiensten van den Middelaar, die de zonden Zijns volks gedragen heeft in Zijn lichaam op het hout. Zuchtende met het gansche schepsel op dit benedenrond, ziet Gods kind verlangend uit naar die verlossing van het lichaam der zonde en vanuit een wereld van zelfbedrog. Ziende op ons zelven, blijft het hier steeds: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods”, maar opziende naar het kruis van Christus, zeggen we door het geloof: „Ik danke God door Jezus Christus onzen Heere.”
Nog maar een weinig tijds, wellicht nog maar enkele schreden, vermoeide pelgrim Gods, dan slaat de ure der verlossing ook voor u.
Dan zullen de poorten van het nieuwe Jeruzalem ontsloten worden, en gij zult ingaan in de eeuwige heerlijkheid, om dan den God uwer verlossing eeuwiglijk te loven en te prijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1920

De Wekker | 4 Pagina's

Drievoudige Verlossing

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1920

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken