Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onwetende blindheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onwetende blindheid

9 minuten leestijd

„Zijn wij dan ook blind?” Johs. 9 : 40b.

Aan velerlei ziekten en kwalen is het lichaam van den mensch onderworpen.
De dood komt nooit zonder oorzaak.
Maar niet altijd kan met volkomen juistheid die oorzaak worden vastgesteld. De meest bekwame arts ziet zich wel eens geplaatst voor hem onverklaarbare verschijnselen.
Het lichamelijk organisme van den mensch is gelijk aan een fijn uurwerk. Een enkele zandkorrel, een kleinigheid zou men zeggen, doet het uurwerk stilstaan.
Aller menschenleven berust in Gods hand. Ieder mensch moet Gods raad uitdienen. Wat dan middelijkerwijs ook als oorzaak dienen moet, dan zien we hoe des Heeren Woord wordt bevestigd, dat al onze heerlijkheid gelijk is aan die van een bloem des velds, den eenen dag nog zoo schoon, en den anderen dag, als er de wind over heengegaan is, zien we haar steel geknakt en haar schoonheid gaat verloren.
Niet minder dan ons lichaam, is ook ons zieleleven aan velerlei krankheid onderworpen. De geestelijke doodsstaat van den natuurlijken mensch openbaart zich op velerlei wijze.
Altijd blijft het waar, die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn.
Jammer maar, dat zoo velen meenen gezond te zijn, en toch een uiterst gevaarlijke kwaal omdragen. Aan zoo iets doen ons bovenstaande woorden denken. De genezing van den blindgeborene door Jezus, gelijk deze in ons teksthoofdstuk wordt vermeld, had natuurlijk aller aandacht getrokken. Nooit, zeiden de menschen, was ooit zoo iets geboord, dat een blindgeborene van zijne blindheid genezen was.
Hier was, dit staat onherroepelijk vast, een wonder geschied.
Een wonder, dat veel van zich spreken liet, en dat vooral den farizeën een ergernis was, omdat zulks op den sabbat was geschied.
De menschen wilden het eerst niet gelooven, maar werden er ten laatste toch van overtuigd, dat het waarheid en werkelijkheid was. Allerlei vragen worden nu gedaan. Wie dit had gedaan, hoe dit was geschied, wat de oorzaak van deze blindheid was geweest, en nog al meer.
In plaats van zich met den blijde te verblijden, nu die ongelukkige van zijn blindheid is genezen, neemt men ergernis, uit hetgeen de blindgeborene omtrent zijne genezing verklaart, en zij werpen hem uit. Jezus hem vindende, maakt zich nader aan hem bekend, waarop de geredde man zeide: Ik geloof Heere!
En hij aanbad Hem.
En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. Dit woord, door eenigen uit de farizeën gehoord, begrepen zij, dat dit woord op ben zag, waarop zij vraagden aan Jezus: Zijn wij dan ook blind?
Men vraagde dit, gelijk een farizeer dit doen kan. Zij, farizeën, zoo hoog verlicht, zoo bijzonder onderwezen, zoo-zeer geacht onder het volk, ook zoo bekend met de wet, zij ook blind?
Wij, daar valt de nadruk op, om te doen uitkomen, alsof men zeggen wilde: als wij blind zijn, zijn alle menschen blind. Als wij het niet weten wat goed en recht is, wie moet het dan weten?
Zoo spreken en openbaren zich menschen, die meenen dat zij zien, goed zien, en die toch in werkelijkheid blind zijn. En wie telt de onoverzienbare menigte, die aan deze farizeën gelijk zijn?
Wat is de oorzaak, zoo mag men toch wel vragen, dat zoovelen in Christelijke kringen, in zorgeloosheid voortleven, zonder dat men ooit iets gewaar wordt van oprecht schuldbesef voor God.
Dan spreken we nog niet van hen, die geheel met God en Godsdienst hebben gebroken, en openlijk uitspreken, dat hun levenskeus in de wereld en in het wereldsche ligt. Neen, dan denken we aan menschen, die alle dagen in den Bijbel lezen, die nog ter kerke gaan, en voor het uitwendige nog godsdienstige menschen zijn.
Waar geen schuldbesef is, daar is ook geen behoefte aan genade en aan vergeving van zonde. Daar is geen behoefte aan een Borg en Middelaar. Daar is geen behoefte om te bidden: Heere! verlicht mijn oogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uwer Wet.
Zijn wij dan ook blind?
Zoo spreekt men tegenover Hem, die het Licht der wereld is. Men mag wel vragen, is er nog sterker, nog krachtiger bewijs voor geestelijke blindheid denkbaar!
Dat een mensch tegenover zijn medemensch, al staat deze dan geestelijk ver boven hem, zulk een houding durft aan te nemen, is treurig, maar, vergeten we het niet, hier staan de menschen, wie ze dan ook zijn, tegenover Hem, die wel de Zoon der menschen, maar die ook de Zone Gods is. Zijn leer en Zijne wonderwerken getuigen van Hem, dat Hij de beloofde Messias is, van wien de profeten hadden voorspeld, dat Hij met den Heiligen Geest gezalfd, den blinden het gezicht zou geven.
Niet slechts van natuurlijke, maar wat nog veel meer zegt, van geestelijke blindheid kan Christus als de Zone Gods, zondaren verlossen.
Het geestelijk blind zijn, doet de mensch in een toestand van duisternis verkeeren. Daaruit genadig gered, zegt het geloof, gelijk de blindgeborene, omtrent zijn natuurlijke blindheid verklaarde: één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie. Paulus schrijft het aan de gemeente van Efeze:
Eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere.
Vreeselijk is de toestand van den armen mensch, die meent te zien, en toch inderdaad blind is. Geen enkel middel is op zichzelf genomen in staat, om zulke menschen te redden. Zij zijn gelijk aan iemand, die een ondoordringbaar harnas om zijn lichaam heeft, waar geen enkele pijl kan doordringen. Er wordt niets minder dan een wonder vereischt om zulke blinden de oogen te openen.
Dat wonder werkt Christus door Zijn Geest en Woord.
Gebeurt dit, dan staan we voor een feit, evenals van den blindgeborene. Laten de menschen dan ook maar vragen: hoe is dat, hoe kan dat, wie heeft dat gedaan, en hoe is dit geschied, maar dan staat men voor de openbaring van Gods macht en genade, dan zien we, dat er voor den Heere niets te wonderlijk is. Dat de verandering groot, uitermate groot is, als een blinde het gezicht verkrijgt, behoeft geen nader bewijs.
Die verandering openbaart zich in alles. Gezicht, gehoor, smaak, levenskeus en levensopenbaring alles verandert. Een stad op een berg gebouwd, kan niet verborgen blijven.
Zijn wij dan ook blind?
In zoo te spreken openbaart zich de macht van het ongeloof. En dan wil men vaak nog voor wetenschappelijk gevormd doorgaan. Maar als nu midden op den dag de zon helder schijnt, en iemand zou willen beweren, dat er geen zon te zien is, wat moeten we dan zeggen?
Is dat wetenschappelijk?
En zijn zij, die niet in Christus gelooven, hieraan niet volkomen gelijk?
Is de openbaring van Christus minder duidelijk, dan de openbaring van de zon, als die op den middag in vollen glans en in luister aan den hemel prijkt!
Men mag wel vragen, wat had Christus de Heere nog meer moeten doen, om Zijn hooge afkomst, om Zijn Messias waardigheid te bewijzen. Wat werden al de profetiën in Hem letterlijk vervuld. De ster uit Jakob was in Bethlehem opgegaan. De zon der Gerechtigheid rees al hooger en hooger. Ieder moest erkennen, dat nooit een mensch gesproken had als dezen Mensch.
En nu wij achter de geschiedenis staan, en weten, dat Jezus is gekruist en gestorven op Golgotha, maar ook dat Hij is opgestaan uit de dooden en dat Hij is opgevaren ten hemel, nu hebben we nog zooveel te meer bewijzen voor de waarheid, dat Jezus is de Christus, de Zoon des levenden Gods. Neen, wij predikers van dien Christus, zijn geen navolgers van kunstelijk verdichte fabelen.
De historie van al de eeuwen, die achter ons liggen, hebben overvloedige bewijzen geleverd voor de waarheid.
Maar wil iemand weten, wat dan de diepste oorzaak is, waarom zoovelen niet gelooven, die hoore wat een Paulus, de apostel van Christus, door den Heiligen Geest verlicht, hierop antwoordt. In 2 Cor. 4, zegt de apostel: indien ook ons evangelie bedekt is, zoo is het bedekt in degenen, die verloren gaan, in dewelke de god dezer eeuw de zinnen heeft verblind, namelijk der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.
Ziedaar de oplossing van een allergewichtigst vraagstuk.
Gelukkig de mensch, die door Gods genade in de verlichting des Geestes mag deelen. Dat hebben Gods kinderen niet aan hun afkomst, aan hun gaven noch aan iets dergelijks, maar alleen aan Gods ontferming te danken.
We lezen van een Lydia, dat de Heere haar hart opende. Geschiedt dit, dan worden we vatbaar en ontvangbaar voor het Woord Gods. Zien anderen dan geen heerlijkheid, geen dierbaarheid en geen noodzakelijkheid in Christus, dan zegt de geloovige, met de Bruidkerk in het Hooglied:
Al wat aan Hem is, is gewisch begeerlijk.
Als dan anderen twisten over Jezus, en nog anderen zich aan Hem ergeren, als aan een rotssteen der ergernis, dan ziet het geloof in Hem, de Gave Gods, de Gave zoo groot, dat er niets mee is te vergelijken.
Het ongeloof wierp den genezen blindgeborene uit, en later heeft men Jezus zelf uitgeworpen. Zoo zal het wel blijven. De duisternis kan het licht niet verdragen.
Maar gelukkig, die blindgeborene werd nadat hij door zijn eigen volk uitgeworpen, en zooveel als vogelvrij verklaard was, door Jezus gevonden. Meer dan hij in menschen verloren had, vond hij in Jezus terug. Dat maakt alles goed. Laat men dan u ook maar uitwerpen.
Laat men u voor een blinde en een onwetende aanzien, want dat doen de kinderen der wereld. Eenmaal zal voor aller oogen openbaar worden, wie al en wie niet van hun geestelijke blindheid genezen zijn.
Omdat alle kinderen van Adam in zonden ontvangen en geboren zijn, is het voor ieder hoofd voor hoofd noodzakelijk deze weldaad deelachtig te worden. Wie in waarheid daarnaar zoekt en met zijn gansche hart gedurig daarom bidt, zal het naar Gods belofte zekerlijk ontvangen.
En Hij, die in dezen het Begin is, zal voor al Zijn volk ook de voortzetting en het einde zijn. We zien niet alles te gelijk.
Zoo menigmaal a!s het Gode behaagt zijne kinderen in te leiden in de verborgen heilgeheimen, is het hun, alsof bij vernieuwing de zon voor hun opgaat.
En wat zal het dan eens zijn, als we eens zullen kennen, gelijk ook wij gekend zijn.

Maranatha! De Heere komt!

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1920

De Wekker | 4 Pagina's

Onwetende blindheid

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1920

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken