Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vragenbus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vragenbus

5 minuten leestijd

J. v. D. te R. Komt de ziel door geboorte in den mensch of door uitblazing van den Geest Gods; en als dit laatste waar is, hoe wordt het dan verklaard, dat ziel en lichaam beide onder den vloek der zonde liggen?
Onverklaarbaar is het verband, de vereeniging van ziel en lichaam, onverklaarbaar is ook de wijze, waarop de ziel in het lichaam komt. Bij de schepping van den eersten mensch zien wij eerst het lichaam geformeerd en daarna door God den geest des levens, de ziel, er in geblazen, waardoor de mensch tot eene levende ziel wordt. Niet uit het geschapene, uit het stof, maar direct uit God ontvangt Adam de ziel. Evenzoo bij de schepping van Eva. Adam zegt, nadat hij Eva ontvangen heeft: „Deze is ditmaal been van mijne beenen en vleesch van mijn vleesch” Niet: geest of ziel van mijn geest of ziel.
Daarna vermeerdert het menschelijke geslacht door geboorte van kinderen uit de ouders. Vooral twee wegen worden ter verklaring van de komst der ziel in het lichaam ingeslagen. Zij dragen de namen: traducianisme en creatianisme, door overlevering der ouders en door schepping.
Voor beide opvattingen is wel wat te zeggen. Wijlen Prof. Bavinck zegt in zijne Ger. Dogmatiek: Traducianisme en creatianisme wegen in kracht van argumenten vrij wel tegen elkander op, doch erkent ook dat beide slechts pogingen zijn, om te verklaren, wat niet te verklaren is. Zij lossen de vragen niet op, inzonderheid niet die, waarop uwe vraag doelt: het liggen onder de zonde van lichaam en van ziel.

Oppervlakkig beschouwt heeft het traducianisme veel voor. Er zijn evenwel uitspraken in de Heilige Schrift, die ons heenwijzen naar het creatianisme, dat ons leert, dat God is elken mensch de ziel schept of formeert, zooals Pred. 12 : 17: „En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, die hem gegeven heeft”. Zach. 12 : 1: „De Heere spreekt, die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des menschen geest in zijn binnenste formeert”. Hebr. 12:9: „Voorts, wij hebben de vaders onzes vleesches wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan met veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn en leven?
Op grond dezer uitspraken aangenomen, dat het creatianisme de juiste opvatting is, hoe is het dan met de zondigheid der ziel. Dat het lichaam verzwakt is door de zonde es niet rein, gelijk het uit de hand Gods voortkwam is duidelijk. Als zoodanig kan het niet aangenaam zijn voor God. Maar als God de ziel schept, hoe wordt die reine ziel dan schuldig, zondig? We staan voor eene verborgenheid. Het feit der zonde is duidelijk. De dood is der zonde bezoldiging. Ook kleine kinderen, die nog geen dadelijke zonde hebben, sterven, dus zijn zij zondig Niet alleen hebben zij eene verzwakt en niet rein lichaam, ook eene onreine ziel. Want het lichaam is niet op zichzelf het menschelijke van des mensch maar de ziel. Bavinck tracht het te verklaren door te zeggen: „Hij (God) schept eene ziel niet eerst buiten het lichaam, om ze dan van buiten af er in in te dragen, maar Hij heeft het bestaande physische (natuurlijke) leven te zijner tijd en op eene voor ons onbegrijpelijke wijze tot een hooger menschelijk, geestelijk leven op.
Hiermede in overeenstemming is de overerving der zonde dan ook niet daaruit te verklaren, dat de ziel, eerst rein geschapen door God, door het lichaam besmet wordt, want dan zou de zonde een stoffelijk karakter gaan dragen, maar zij is veeleer zoo te begrijpen, dat de ziel, schoon als redelijke, geestelijke ziel door eene scheppende werkzaamheid Gods in het aanzijn geroepen, toch in het psychisch leren van het foetus (de nog niet geboren vrucht), dat is in het leven van ouders en voorouders gepraeformeerd (vooraf gevormd) werd en dus niet boven en buiten, maar onder en in het zondeverband, dat op heel de menschheid drukt, het aanzijn ontvangt.” Of hier bij handhaving van het creatianisme niet iets van het traducianisme blijft doorschemeren?
Ook Brakel behandelt in zijn „Redelijke Godsdienst” deze vraag en zegt o. m.: „Wat behoeven wij te weten, hoe de zonde overgebracht wordt, dewijl wij klaar uit de Schrift en ondervinding zien, dat zij overerft..… De duisterheid in deze zaak komt veel daar van daan, dat men ziel en lichaam te veel in de generatie van elkander scheidt..… God met zijne medewerkende voorzienigheid in de generatie des menschen invloeiende, formeert de ziel in de vereeniging met het lichaam, zoodat ze niet één oogenblik zonder het lichaam bestaat..… De ziel, in de generatie geformeerd wordende in de vereeniging met het lichaam, heeft wel het wezen van de ziel, dat zoo verre goed en geene zonde is; maar de ziel in de vereeniging met het lichaam voortkomende, en zoo van het eerste oogenblik haars zijns eenen mensch uitmakende, is niet edeler dan die van de genereerende ouders, en mist het beeld Gods, 't welk God niet gehouden was de ziel wederom te geven, nadat de menschelijke natuur dat had weggeworpen.”
Apeldoorn
F. Lengkeek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1921

De Wekker | 4 Pagina's

Vragenbus

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1921

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken