Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Veronderstellen 36

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Veronderstellen 36

5 minuten leestijd

„Ik ben uw God en uws zaads Gods”. Deze vrije daad Gods, waarbij de Heere zich zelf aan den bondeling wegschenkt, moge toch een gehoorzaal in ons zieleleven vinden. Immers lees maar met aandacht de Heilige Schrift en dan zult ge vinden hoe daar voortdurend een heilsbemoeienis Gods is te speuren om zijn volk te doen verstaan den rijken inhoud van zijn genadeverbond „Ik ben uw God”.
O lees in Heilige Sohrift en op hoe menige bladzijde merkt ge de diepe nederbuigende liefde des Heeren om het lied der hoop en des betrouwens in onze ziel wakker te zingen. Wie onzer kent niet dat schoone woord ons in de rol van Jesaja bewaard, „bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de Heere, uw ontfermer”. En wanneer wij daar naast dat andere schriftwoord leggen „Ik doe het niet om uwentwil, o huis van Israël, maar om mijns Naams en om mijn Verbonds wil” dan merken wij wel, hoe juist dat Genadeverbond met zijn glorie van licht en met zijn innigheid van warmte den donkeren, zwarten bodem onzer zonde bestraalt en hoe het juist Gods genadeverbond is, waarin de Heere zich zelf kwijt is aan een wederhoorig kroost. Wanneer dus de stem van het Evangelie wordt gehoord en wanneer voor ’t oog van den bondeling de brief des Heeren wordt gelezen: „Alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, wijn en melk zonder prijs en zonder geld,” dan ligt daarin voor het kind des Verbonde niet alleen een algemeene aanbieding des heils, maar dan mag het daarin hooren de stem van zijn Bonds God, die met eede gezworen heeft en in Zijn Verbond een ontwijfelbaar getuigenis heeft geschonken, dat Hij een God der genade is voor „afkeerige kinderen”.
Zoo wordt het Verbond de welverzekerde waarborg voor alle geestelijkheid en mag elke bondeling een vast toevoorzicht hebben: de Heere heeft niet alleen aan anderen, maar ook volstrekt persoonlijk aan mij vergeving der zonde, eeuwige gerechtigheid en zaligheid toegezegd.
Juist daarom zal het zoo vreeselijk zijn om als kind des verbonds verloren te gaan. Immers, wien veel gegeven is, van dien zal veel geeischt worden en het zal zoo’n diepsnijdende wroeging worden, wanneer de hand van Gods ontferming zoo teeder naar ons was uitgestrekt en er straks een eeuwige verlating op volgen zou.
Maar daar staat tegenover, dat het een oorzaak van eeuwige vreugde en eeuwige dankbaarheid zal worden wanneer wij leeren verstaan, dat de Heere de eerste was, die ons zocht, de eerste bleef die zijne genade handhaafde en al hadden wij met vele boeleerders geboeleerd, nochtans de God des verbonds de verloren zonen en dochteren aan zijn hart wilde drukken. O zeker, dat kan ons te groot, veel te groot toeschijnen. Dan kennen wij de ure, dat wij met den verloren zoon belijden „ik ben niet waardig uw zoon te heeten, maak mij als één van uw huurlingen.”
Geen zoon, geen knecht zelfs, maar een huurling; de allerlaagste plaats dus, want nooit heeft iemand zooveel kwaads tegen zooveel goeds bedreven. Maar hebt ge nooit opgemerkt, dat toen eenmaal de verloren zoon aan het hart des vaders rustte en daar zijn tranen schreide, hij niet heeft uitgespreken wat hij van plan was te zeggen: „maak mij tot één van uw huurlingen.” Hoe komt dat ? Wel dat lag niet aan dien Zoon, maar aan de liefde des Vaders. Immers de Vader noemde hem geen huurling, maar een zoon, mijn zoon; reikte hem niet slechts de hand, maar drukte hem een kus op het voorhoofd, en had niet de slavenkiel maar het feestkleed voor hem klaar. En zoo was het voor dezen verloren zoon onmogelijk in de armen des vaders, en aan ’t hart des vaders te spreken van huurling. Zie dat is mij zulk een heerlijkheid van de verbondsgeheimnissen, die de Heere aan Zijne kinderen bekend maakt. Wanneer wij nog van verre staan, wanneer wij de diepte van het genadeverbond nog niet gepeild hebben, ja dan kan de zielsontroering er wezen „zou het wel voor mij zijn, ik ben maar een huurling.” Doch wanneer wij zieldiep moge komen tot de beleving van het verbond, wanneer wij verstaan gaan, dat het verbond der genade in zijn heerlijke beteekenis niet anders is, dan, dat God, de Heere, in Christus de armen Zijner genade om ons heenslaat en ons met de kus zijner liefde aan Zich verbindt, dan versterft het op de lippen „ik ben maar een huurling”, doch dan ruischt diep in het hart, ik ben dan toch uw kind — abba Vader”.
Apeldoorn
J.J. van der Schuit

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1921

De Wekker | 4 Pagina's

Veronderstellen 36

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1921

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken