Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Brieven des Heilands aan de zeven Gemeenten van Klein-Azië (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Brieven des Heilands aan de zeven Gemeenten van Klein-Azië (I)

Inleiding

9 minuten leestijd

„Die ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.Openb. 2: 7a.

„Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die hooren de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij.”
Zoo klinkt het aan het begin van het boek, dat in zijne diepten zoo weinig wordt verstaan, welks schatten van Gods-en Christus-openbaring aan en vertroosting en leiding van Gods kinderen nog zoo weinig zijn blootgelegd; het boek der profetie, bij welks lezing het ons zoo menigmaal faalt aan den sleutel om die profetie recht te verstaan.
Toch, zalig is hij, die leest, en zijn zij die hooren, want ook dit sluitstuk behoort tot het Woord, waarvan in zijn geheel geldt, dat het van God is ingegeven en nuttig is tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is, opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust.
Daarbij: de tijd is nabij, de tijd der bezoeking, de tijd des gerichts, de tijd, die voor heel de wereld maar inzonderheid voor Gods Kerk op aarde van de grootste beteekenis is, de tijd der wedergeboorte, waarvan de Heiland spreekt in Matth. 19:28, de tijd der wederoprichting van alle dingen.
In de goddelijke tijdrekenkunde zijn duizend jaren als één dag, en één dag als duizend jaren. Wij weten niet, hoe nabij de tijd is, d. i. hoeveel jaren naar eens menschen berekening er moeten verloopen, vóór het einde er is, vóór de weeën der laatste dagen de geboorte van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde ontwijfelbaar inluiden. Maar wat zegt dit voor ons persoonlijk? Voor ons persoonlijk is de tijd nabij. De onzekerheid des levens roept het ons van dag tot dag toe: „Zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen.” Wanneer voor ons de klok op „eeuwigheid” zal staan en de tijd voor ons zal hebben opgehouden, dan zal voor ons de groote dag zijn aangebroken. Zal het onze vrijmaking zijn?
De tijd is nabij!
Ernstige waarschuwing, opdat wij niet zorgeloos zouden zijn.
Vertroostende mededeeling, als wij vreemdelingen op aarde zijn, opdat wij het zouden weten, dat het huis des Vaders niet verre meer is.

Als Johannes, de Apostel, dien Jezus liefhad, om het Woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus, onder Domitianus verbannen wordt naar het eenzame Patmos, dan schijnt het, of daarmede aan de Kerk van Christus eene aanmerkelijke schade wordt berokkend. De laatste Apostel wordt onttrokken aan zijne werkzaamheid, te verkondigen, wat hij gehoord heeft, wat hij gezien heeft met zijne oogen, wat bij aanschouwd heeft en zijne handen getast hebben van het Woord des levens. Dit schijnt schade te beteekenen en toch is het geene schade. Zeker den tijd, dien Johannes op Patmos doorbracht, heeft hij niet kunnen besteden aan de bearbeiding der gemeenten van Klein-Azië, over welke de Heere hem in den weg Zijner voorzienigheid als wachter gesteld heeft. Maar wij zouden hetzelfde kunnen zeggen van de gevangenschap van Paulus. Toch danken wij juist aan die gevangenschap enkele zijner brieven, die zeker niet geschreven zouden zijn, als Paulus in de gelegenheid ware geweest de geadresseerde gemeenten of personen te bezoeken. Trouwens, er is geen verlies in Gods voorzienigheid. Johannes moest naar Patmos, om daar in de stilte der eenzaamheid te ontvangen de Openbaring van Jezus Christus, niet voor hem alleen, maar voor heel de kerk van alle tijden.
Het is aan de zeven gemeenten van Klein-Azië, dat Johannes deze Openbaring berichten moet, aan Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardes, Filadelfia en Laodicea. Als hij in den geest is op den dag des Hesren, dan verschijnt hem de Heiland in den staat Zijner verhooging. In dat gezicht ziet hij den Christus, in het midden van zeven gouden kandelaren, als den Overste der koningen der aarde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, omgord aan de borsten met een gouden gordel. Hoofd en haar waren wit, gelijk witte wol, gelijksneeuw (de Vader der eeuwigheid, de waarachtige Wijsheid), Zijne oogen waren gelijk eene vlamme vuurs (aldoordringend). Zijne voeten, waarmede Hij Zijne vijanden vertreedt, waren blinkend koper gelijk en gloeiden als in een oven. Zijne stem was als eene stemme van vele wateren (majestueus en krachtig). Zeven sterren waren in Zijne rechterhand en uit Zijnen mond ging een tweesnijdend scherp zwaard (Zijn aldoordringend, onweerstaanbaar Woord), en Zijn aangezicht was gelijk de zon schijnt in hare kracht, (heerlijk in volmaaktheid).
Geen wonder, dat Johannes, Hem ziende, als dood aan Zijne voeten viel. Maar de Verheerlijkte bukte zich om hem op te richten, gelijk Hij, die, niettegenstaande verandering van staat, gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde is, zich bukte en nog bukt tot den gebrokene van hart en den versla-gene van geest.
Uit 's Heeren mond hoort Johannes de betuiging Zijner onveranderlijkheid en ook de verzekering van Zijne macht tot redding en behoud. Hij geeft Johannes bevel te schrijven, hetgeen hg gezien heeft en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen. Zelf geeft Hij de verklaring der zeven sterren, die Hij in Zijne rechterhand houdt, en van de zeven kandelaren, in welker midden Hij staat. De zeven sterren zijn de Engelen, de boodschappers Gods, de dienaars der zeven gemeenten, en de zeven kandelaren zijn de zeven gemeenten.

Voor nu de eigenlijk profetische Openbaring aanvangt (Hoofdstuk 4) vinden wij een zevental brieven van den Heiland aan de zeven gemeenten van Klein-Azië. Dat dit getal juist zeven is, is niet toevallig; ook dit staat onder de voorzienigheid van Hem, wien Zijne werken van eeuwigheid bekend zijn. Zeven is het getal der volheid. Wij vinden het terug in den zevenarmigen kandelaar, die eer-tijds stond in het heilige van den tabernakel en den tempel. In den zegengroet, waarmede de Openbaring aanvangt vinden wij gesproken van „de zeven Geesten, die voor Zijnen troon zijn,” d. i. de Heilige Geest. Het zevental der klein-aziatische gemeenten wijst dan ook heen naar het geheel van Christus' kerk; het vertegenwoordigt die kerk in hare openbaring onder den nieuwen dag.
In het midden dier kerk wandelt Christus als haar Hoofd, haar Verzorger, haar Richter. Zullen de kandelaren werkelijk licht dragen, dan moeten zij dat licht van Hem ontvangen en dat licht zal Hem moeten beschijnen, opdat Hij gezien worde.
In Zijne rechterhand, de hand van zegen en weldaden, draagt Hij de zeven sterren, die de Engelen der gemeenten vertegenwoordigen. Hij draagt ze, hij houdt, behoudt ze. Zonder Zijn dragen moeten zij vallen. Welk een afhankelijkheid van den Heere wordt hierin voor da dienaren geteekend, maar ook welk eene zaligheid voor de getrouwen, te weten, dat de Heiland hen draagt.
Men heeft in deze zeven brieven willen zien eene aanduiding van zeven opeenvolgende tijdperken in de geschiedenis van Christus' kerk. Gelijk echter de zeven gemeenten van Klein-Azië, elk met hare bijzondere openbaring, tegelijkertijd bestonden, zoo geven deze brieven ons een beeld van den toenmaligen stand.
Voor het verdere zijn deze zeven gemeenten typen.
Iedere gemeente van den tegenwoordigen tijd kan bij aandachtige beschouwing hare trekken weervinden in de teekening, hier gegeven. Hoeveel verschil tusschen die zeven; hoeveel verscheidenheid ook nu.
Wat voor gemeenten geldt, geldt ook voor bijzondere personen.
Daarom eindigt ook elk der brieven met een: „Die ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.” Het meervoud „gemeenten” wijst er ons op, dat wel de brief aan Efeze b.v. in de eerste plaats voor Efeze bestemd was, maar dat voorts een ieder zich aan den inhoud daarvan te toetsen heeft.

„Die ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.”
De Heiland gebruikte in Zijn onderwijs op aarde ook vaak dit woord, waarmede Hij bijzonderen nadruk legde op hetgeen Hij sprak, „wie ooren heeft om te hooren, die hoore.” Ieder, die Zijn onderwijs beluisterde, werd daardoor opgewekt, ook dit onderwijs ter harte te nemen en er naar te handelen.
Die opwekking komt ook tot ons bij het lezen of hooren van de brieven des Heilands.
Zij is we! noodig, want hoe gemakkelijk onttrekken wij ons aan het Woord Gods.
Wat kunnen wij ons door andere gedachten en overleggingen laten beïnvloeden om, al hooren wij het Woord, het toch niet te verstaan en er nog minder naar te doen.
En nu hebben wij allen ooren, hetzij wij bekeerd zijn of niet.
En het woord des Heeren komt tot ons.
Zeg niet: „Als ik geen geestelijk oor heb, kan ik het toch niet verstaan!” Gij spreekt dan waarheid, maar, indien gij verloren gaat, zal dat niet zijn, omdat gij geen geestelijk oor hadt, maar omdat gij, de waarheid gehoord hebbende, er niet naar hebt geluisterd. Bid liever den Heere, dat Hij u een geopend oor schenke voor Zijne waarheid.
En als wij een geestelijk oor hebben, hooren wij dan altijd, wat de Geest tot de gemeenten zegt?
Da ervaring van de klein-aziaten, tot wie de Heiland Zijne brieven richtte, was anders. En ook onze ervaring is een andere.
Wat kan dat oor gesloten zijn! Hoe kunnen wij de woorden hooren, den zin begrijpen, de waarheid toestemmen, en toch.…!
Onze bede zij: „Heere, open onze oogen, opdat wij aanschouwen de wonderen van Uwe wet; open onze ooren, opdat wij hooren en verstaan, wat de Geest tot de gemeenten, tot ons, zegt.”
De Heere zegens de lezing van de brieven onzes Heilands aan de zeven gemeenten van Klein-Azië.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1924

De Wekker | 4 Pagina's

De Brieven des Heilands aan de zeven Gemeenten van Klein-Azië (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1924

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken