Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kerk en Staat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kerk en Staat

6 minuten leestijd

Sinds eenige maanden heb ik het genoegen, dat een broeder van uit Indie mij geregeld het Kerkblad toezendt, waarvoor ik hem zeer erkentelijk ben. Ik lees dat blad met groote belangstelling, niet alleen omdat ik daardoor ook wat op de hoogte raak met de Indische toestanden, maar vooral ook om den frisschen toon en den helderen kijk, dien de schrijvers blijken te hebben op onze toestanden en verhoudingen. zoo trof mij in het nummer van 7 Aug. een stuk van de hand van Ds. Bakker, die ook in ons land geen on e-kende is. Hij deelt daarin mede, dat, toen de lessen aan de Opleidingsschool weer begonnen waren, zijn Javaansche leerlingen hem overvielen met de vraag: Mijnheer! hoe denkt u over het tooneel? Ook daar weer de vraag, die hier te lande zooveel beroering heeft gebracht. Er was, gelijk Ds. Bakker later bleek, ergens een voorstelling gegeven was het werk der medische zending. Ds. Bakker deelde daarop als zijn gevoelen mede: dat hij er niet zooveel kwaad in zag, wanneer hetgeen daar getoond en gezegd was, maar waarlijk goed was. Maar dat antwoord scheen die Javaansche discipelen niet geheel te bevredigen. Want de opmerking werd gemaakt, dat Ds. te weinig rekening hield met de zwakheid van de menschelijke natuur. Tooneelspelers, die succes willen hebben, moeten speculeeren op de menschelijke hartstochten. Mijn leerlingen waren van oordeel, dat het tooneel, hoe goed ook begonnen, onherroepelijk veroordeeld was, om te ontaarden. Zij meenden, dat de aard van het tooneel dit met zich bracht en ik moest hen toestemmen, dat hun gevoelen niet in strijd was met de werkelijkheid.
Ik dacht, dat hiermee de kwestie afgehandeld was. Er volgde echter nog een tweede vraag. Een tooneelvoorstelling, zoo werd gezegd, heeft de bedoeling weer te geven, wat er in ’t leven voorvalt. Er komen goede en slechte menschen in voor. Mag een Christen nu optreden in de rol van een slecht mensch? Ik dacht bij ’t hoeren dezer vraag onmiddellijk aan hetgeen Dr. Kuijper in zijn Stone’s lezingen zegt over het onzedelijk offer, dat van tooneelspelers gevergd wordt, om de menschen te vermaken. Daze Javanen gaven, in hun eenvoud, uitleg aan eenzelfde bezwaar tegen het tooneel als de geniale sohrijver van Calvinisme en Kunst.
Een derde bezwaar van mijn leerlingen tegen het tooneel was, dat zoo dikwijls voorstellingen worden gegeven, ontleend aan de Bijbelsche Geschiedenis. Zij meenden, dat dit niet mocht, vooral niet in een mohamedaansche wereld, die zich ongetwijfeld aan een opvoering van de Bijbelheiligen niet weinig ergeren zou.
Die ergernis is reeds een afdoende reden, om het Bijbelsch tooneel op Java niet in te voeren. Maar ook afgedacht daarvan, moet het m.i. leiden tot profaane. Ik dacht aan „Saul en David”, aan den strijd, die in hen gevoerd werd tusschen het rijk der duisternis, aan David als schaduw en type van Christus en het scheen mij toe, dat het voor een Christen niet minder bezwaarlijk moest zijn op te treden in de „goede” rol van David als in de „slechte” rol van Saul.
Eindelijk werd nog een vierde bezwaar ingebracht. Als onze Christenen, zoo werd opgemerkt, het Hollandsche tooneel gaan invoeren, met welk recht kunnen we dan waarschuwen tegen het Javaansche tooneel, dat ons terugvoert naar de dagen, waarin we nog leefden buiten Christus?
De lezers zullen begrijpen, dat we tot de conclusie kwamen: van het tooneel is weinig goeds te zeggen en veel kwaads, laten we er ons voor wachten het in te voeren onder de Javaansche Christenen.
In al deze besprekingen werd o.a. nog een opmerking gemaakt, die men, helaas, niet meer hoort uit den mond van een Christen-Europeaan, maar gelukkig nog wel uit den mond van een Christen- Javaan. Ze was deze: De Engelen in Bethlehem verkondigden groote blijdschap allen volken n.l. de geboorte van den Eenigen Zaligmaker. Als die blijdschap de onze is, hebben we dan nog behoefte aan veraangenaming van het leven door tooneel-voorstellingen?????
Tot zoover Ds. Bakker. Maar wat moeten wij zeggen van zulke Javaansche discipelen ? Maken zij vele Hollandsche discipelen niet beschaamd en hebben die eenvoudige jonge mannen, door hun kloeke belijdenis niet een ernstige les gegeven aan de vele christenen, die het tooneel òf in bescherming nemen òf het althans niet onvoorwaardelijk durven veroordeelen. Die jeugdige Javanen hebben het veroordeeld op gronden, waartegen niets in te brengen valt, tenzij van het zoogenaamde cultureele standpunt. Maar Iaat ons maar voorzichtig zijn met die cultuur van onze dagen. Ik geloof, dat vele christenen in Nederland, reeds veel te lang en te veel aan den afgod „cultuur” geofferd en gerookt hebben. De zoo hoog geprezen en zoo vaak bewonderde cultuur heeft ons christendom verwereldlijkt en zij verwereldlijkt het nog hoe langer hoe meer. Indien ergens tegen gewaakt moet worden is het zeker wel hier tegen: dat wij, onder een christelijken naam, een wereldsch leven zoude leiden. En dat gevaar is in onze dagen ook hier te lande inderdaad niet denkbeeldig. Ik juich den arbeid onder de „rijpere jeugd” van harte toe. Ik geloof, dat hij dringend noodig is; maar uit dien arbeid blijve geweerd alles wat het leven van onze menschen zou kunnen verwereldlijken.
Daarom geloof ik. dat er niets zoo gevaarlijk is als het importeeren van de wereldsche vermakelijkheden op het Christelijk terrein. Men voorziet die vermakelijkheden dan wel van een Christelijk etiket, maar dat verandert aan het karakter van deze vermaken niets; een Christelijke voetbalclub en een Christelijke tooneelvereeniging doen in den grond der zaak precies hetzelfde als de anderen, en ik vrees, dat de ervaring zal leeren, dat men er het tegenovergestelde mee zal bereiken van hetgeen men bedoelt. Die Christen-Javaan zeide zoo terecht: De Engelen in Bethlehem verkondigden groote blijdschap allen volke, n.l. de geboorte van den Eenigen Zaligmaker. Als die blijdschap de onze is, hebben wij geen behoefte meer aan veraangenaming van het leven door tooneelvoorstellingen. Zoo is het en zoo moet het ook bleven, want dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen den eenigen en waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.

d.H. (Den Haag) J.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1924

De Wekker | 4 Pagina's

Kerk en Staat

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1924

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken