Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een Juridisch advies en een Juridische uitspraak

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een Juridisch advies en een Juridische uitspraak

6 minuten leestijd

Alle kerkeraden zullen reeds in het bezit zijn van het juridisch advies van Mr. Dambrink, wien zeker een woord van lof toekomt, dat hij op zulk een bevattelijke manier deze nu niet zoo gemakkelijke stof heeft weten te behandelen. Natuurlijk zouden wij kunnen begrijpen, dat hier of daar nog wel een kerkeraadslid is, die zich eens over 't voorhoofd strijkt en zegt „hoe zit dat nu eigenlijk.” Wij moeten niet vergeten, dat een rechtskundig advies een andere taal bezigt en bezigen moet dan een preek. Maar toch durven wij ons vleien, dat het meerendeel onzer kerkeraadsleden wel de bedoeling zal gesnapt hebben. Deze komt in 't kort hierop neer, dat het juridisch geen verschil maakt of het Reglement van '69 of de Dordsche kerkorde bij de Regeering is ingediend. De Rechtspositie onzer kerken wordt er in geen enkel opzicht door gewijzigd. Elke plaatselijke gemeente blijft aansprakelijk voor haar eigen rechtshandelingen.
Wat mij ook in bet advies van Mr. Dambrink trof, was de heldere ouderscheiding van het burgerrechtelijke en het kerkrechtelijke. Juist waar Mr. Dambrink een kerkelijk man is en ook hij het spreekwoord kent: „het bloed kruipt waar het niet gaan kan” zou hij allicht in de verleiding hebben kunnen komen, om hier te laveeren en het kerkrecht wat te sparen. Dit heeft hij echter niet gedaan en ten spijt van allen, die dwepen met bet presbyteriale kerkrecht, heeft hij als jurist dit prijs gegeven. Terecht schrijft bij: „het spreekt dus al aanstonds van zelf, dat in meerdere opzichten moet worden geredeneerd naar beginselen, beschouwingen of bepalingen, afwijkend van de kerkelijke, kerkrechtelijke of kerkelijk dogmatische beschouwingen, bepalingen, beginselen of begrippen”. Wat hier Mr. Dambrink betoogt, is weer bevestigd door een proces in Amerika gevoerd, waarin duidelijk is geworden, dat de rechter niet oordeelt naar interne aangelegenheid, noch naar het presbyteriale kerkrecht, maar alleen vraagt „wat zegt de wet”. In zooverre dat presbyteriale kerkrecht met de wet overeenstemt, zal ongetwijfeld de Rechter daarmee rekenen. Waar die twee echter met elkander in conflict komen is de prioriteit enkel en alleen aan de wet. Wij mogen dit betreuren, wij mogen als echte presbyterianen trachten, hierin verandering te krijgen, het feit is niet te niet te doen, dat in de rechtsfeer van den Staat de wet de verhouding regelt. Wij hebben in „de Wekker' kunnen lezen het proces, dat Ds. Hoeksema en zijn kerkeraad voerde tegen de Christ. Geref. Kerk in Amerika. Hoeksema en zijn kerkeraad zijn afgezet, maar lieten hun aanspraak op de eigendommen gelden. De uitspraak nu van rechter Dunham luidt, dat de leden, die aan de Chr. Geref. Kerk trouw blijven, de wettige eigenaren zijn der goederen en dat Ds. Hoeksema en de zijnen voor bet gebruik der gebouwen een wekelijksche vergoeding van 192 dollars aan dezen hebben te geven, sinds den dag, gerekend, dat de minderheid der gemeente haar beklag bij den rechter indiende. Dat is dus eenzelfde uitspraak als in 1897, toen de rechtbank te Dordrecht de Chr. Geref. kerkeraad van Oud Beierland in zijn aanspraken in 't ongelijk stelde en de Geref. Kerken dit proces toen hebben gewonnen. Wanneer toen naar Presbyteriaal kerkrecht was recht gesproken, dan had onmogelijk deze uitspraak kunnen vallen evenmin als nu in Amerika. „Immers de autonomie van den kerkeraad door het meerendeel der gemeente erkend, moet naar presbyteriaal recht gehandhaafd en dan behooren de goederen aan de plaatselijke kerk.
Gelijk de Geref. Kerken in het proces van Oud-Beierland in 1897 tegenover ons gevoerd op Collegialistisch standpunt zich hebben geplaatst, zoo heeft thans ook de Chr. Geref. Kerk van Amerika gedaan tegenover Ds. Hoeksema en zijn kerkeraad. Immers de uitspraak van de rechtbank te Grand Rapids was gebaseerd op de volgende gronden:
1. Dat de Synode aangaande de leer der gemeene gratie op een drietal punten een uitspraak heeft gedaan en Ds. Hoeksema en de zijnen verplicht waren zich bij deze beslissing neer te leggen,
2. dat Ds. Hoeksema zelf verklaarde, dat, indien de beslissing der Synode een nadere interpretatie was der belijdenis het dan zijn plicht was zich daaraan te onderwerpen. Naar het oordeel van den rechter was, wat de Synode deed, inderdaad een nadere interpretatie van de belijdenis. En dus verloor Ds. Hoeksema door zich niet te onderwerpen het recht van appel tegen het schorsingsbesluit van de Classis,
3. dat de classis zeggenschap heeft over de Kerk in kwestie. Of de procedure voor de classis in alles regelmatig was toegegaan, deed er niet toe, in zooverre als zou daardoor de wettige geldigheid dier procedure te niet gedaan worden,
4. dat de Classis terecht geoordeeld had, dat Ds. Hoeksema en de zijnen door zich niet aan de Synodale interpretatie der belijdenis te onderwerpen, zich de facto reeds onttrokken hadden aan de gemeenschap der Chr. Geref. Kerk en mitsdien geenerlei bezitrecht van goederen dier Kerk hun sindsdien rechtens toekwam.
Uit deze uitspraak blijkt het zeer duidelijk, hoe de rechter geen presbyteriaal Kerkrecht kent, maar naar Collegialistischen maatstaf oordeelt. Vooral de uitspraak sub 3, dat de Classis zeggenschap heeft over de Kerk in kwestie,” bewijst hoe art. 36 Dordsche Kerkorde verklaard wordt, wanneer het door den bril van het burgerlijk recht gelezen wordt. En daarom vind ik ook het advies van Mr. Dambrink van beteekenis, die duidelijk heeft laten uitkomen, dat wij door in te zenden de Dordsche Kerkorde in plaats van het Reglement van 69 niet moeten meenen nu meer presbyteriaal in de sfeer van den Staat te bestaan Dit kan ten hoogste formeel zijn. En toch wensch ik te pleiten voor indiening der Dordtsche Kerkorde niet om de kwestie presbyteriaal of collegialisch, wat in deze o. i. kan gepasseerd, maar om meer practische redenen.
Dat het mij zeer verblijd heeft, dat Mr. Dambrink op juridische gronden tot geen andere conclusie is opgekomen, dan welke wij in ons werk „na 25 jaren” over deze aangelegenheid hebben betoogd, laat zich verstaan. Daarom blijf ik Mr. Dambrink zeer dankbaar voor de gewaardeerde heenwijzing naar ons boek op bladz. 7 van zijn advies.
Apeldoorn
J.J. van der Schuit

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 8 May 1925

De Wekker | 4 Pagina's

Een Juridisch advies en een Juridische uitspraak

Bekijk de hele uitgave van Friday 8 May 1925

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken