Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gebedsverhooring 3

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gebedsverhooring 3

10 minuten leestijd

„Elia was een mensen van gelijke bewegingen als wij, en hij bad een gebed, dat bet niet zoude regenen, en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden, en hij bad wederom, en de hemel gaf regen en de aarde bracht hare vrucht voort. Jac. 5 : 17, 18.

Een Hoorder en Verhoorder des gebeds is de Heere! Hij kroont Zijn werk tot verheerlijking Zijns Naams, tot bevestiging en blijdschap Zijns volks. En nu moge het schijnen, dat de Heere Zich terugtrekt; dat Hij vergeet genadig te zijn, het zal zoo niet blijven; het kan zoo niet blijven, waar het gebed des harten gevonden wordt.
Zou de Heere eene leegte maken en die niet vullen ? Zou Hij eene behoefte Wekken en geene voldoening schenken?
Zie, Hij schiep het oog voor het licht, het oor voor het geluid. Hij schept het gebed voor de verhooring. Waar het gebed is eene schepping Gods, daar zal Hij hooren, ook al is het na lange beproeving, na bange worsteling; op Zijn tijd, op Zijne wijze.
Het eerste gebed van Elia om droogte is gehoord; ook het tweede om regen zal gehoord worden.
Als de jongen van Elia voor de zevende maal opklimt en nauwkeurig het lucht ruim boven de zee doorzoekt, dan ontdekt zijn oog eene kleine wolk, ter groote van eens mans hand, opgaande van den horizont.
Een kleine wolk, als eens mans hand !
Is dit nu het antwoord op Elia's volhardend smeeken? Zal dat wolkske niet verteren, voor het de hoogte bereikt heeft ? Zal het niet als een morgenwolk verdwijnen? Wie weet, hoe dikwijls in die drie jaren en zes maanden zulk een wolkske gezien is boven de zee; hoe dikwijls men heeft gehoopt op regen, doch die hope is vervlogen?
Elia twijfelt echter niet! Hij weet het, hij voelt het; de Heere komt om Zijn volk te verkwikken; Hij zal regen geven. Dat wolkske is hem eene bode van Hem, die van de wolken Zijnen wagen maakt, die op de vleuglen des winds wandelt! Hij zendt zijnen jongen tot Achab om hem te zeggen: „Span aan en kom af, dat de regen u niet ophoude!” Nog is de hemel helder, slechts dat enkele wolkje! Maar het is Elia genoeg! Hij gelooft! Hij weet, dat, als Achab zich niet haast, het onmogelijk zal zijn voor hem, om Jizreël te bereiken. Straks zal de regen neerdruppelen, neervallen, neerstroomen; de wegen zullen worden tot plassen, tot poelen; de wagen van Achab zal er in blijven steken. „Dat de regen u niet ophoude !”
Zie, de hemel wordt van wolken en wind zwart; het suist in de lucht; het loeit om de steenrotsen van den Karmel; het geboomte buigt en kromt zich onder den adem des winds. Daar komt een groote regen ! Welk een uitkomst! Wij, in ons waterrijke land, wij kunnen ons haast niet voorstellen, wat het voor Israëls volk, wat het voor Elia moet geweest zijn, toen de eerste, lauwe droppelen werden gevoeld; met hoeveel ontroering men het eerste doorweeken van den harden bodem heeft mede gemaakt. De regen beteekende, dat de Heere wederom het gras zou doen uit spruiten voor de beesten en het kruid tot dienst des menschen. Die regen beteekende voedsel en kleeding, levens onderhoud in den ruimsten zin, — leven I Men zou wederom het land kunnen bebouwen en er zou weer brood zijn, brood, na maanden, ja, jaren ontbering ! Die regen beteekende: God is genadig. Zijn naam is Ontfermer, Jehovah, de trouwe Verbondsgod. Werd het verstaan door allen ?….
Gods ontferming wordt zoo openbaar in de verhooring van Elia's gebed ! Lankmoedig is Hij en groot van goedertierenheid en waarheid. Neen, Hij doet niet naar des volks zonden en vergeldt niet naar Israels ongerechtigheden. En elke droppel, die daar valt, is een prediking; elke plas, die zich vormt; elk beekje, dat weer vliet; de damp, die opstijgt van het verhitte aardrijk — alles roept als om strijd: „De Heere is ontfermende ! Hij heeft geen lust in uwen dood, o Israël! maar daarin heeft Hij lust, dat gij u zoudt bekeeren en leven. Hij gedenkt nog Zijns Verbonds, hoewel bij u niet anders dan bondsbreuk gevonden wordt. Wil dan bedenken, wat tot uwen vrede dient! Heden ! terwijl gij Zijne stem hoort!”

Gebedsverhooring!
Opmerkelijk zegt de Apostel van Elia, dat hij een mensch was van gelijke bewegingen als wij. De apostel wil hierdoor te kennen geven, dat de gebedsverhooring niet gebonden is aan stand of rang, bezit of gemis, ambt of betrekking. Er is plaats voor een schuchter opzien tegen de bijbel-heiligen; waren het geen menschen, die in bijzondere mate in betrekking stonden tot den Heere ? Wie zal zich met hen op ééne lijn stellen. Toch waren de bijbel-heiligen menschen! Hoe rijk begenadigd, hoe sterk in 't geloof, hoe teerder-krachtig in de liefde, — menschen, zwak van moed en klein van krachten, stof van jongsaf; tot hinken en zinken ieder oogenblik in staat; zondige menscben in zichzelf. Het is nuttig, dat wij dit bedenken; niet, om achter de gebreken dier heiligen schuiling te zoeken ter vergoelijking van eigen ongerechtigheid; dat ware de paarden achter den wagen gespannen ! Maar daarom, dat wij ook uit hen zouden leeren, welk een God van ontferming de Heere is voor armen en ellendigen. Elia ontvangt geene verhooring, omdat hij Elia is; God geeft Zijn lof ook niet aan Zijn kind. Hij ontvangt verhooring uit louter genade. In zich zelf was Elia niet dan een verwerpelijk schepsel !
Toch is er iets in de bijbel-heiligen, dus ook in Elia, dat niet uit hen is. 't Is de genade des Heeren, de inwoning en bearbeiding des Heiligen Geestes, Door die weldaad Gods komt er onderscheid tusschen menschen „van gelijke bewegingen.” Op die genade komt het aan!
„Elia was een mensch van gelijke bewegingen als wij!”
Het komt er op aan, of wij menschen zijn van gelijke bewegingen als hij. Gij verstaat het! Het gaat niet om een kemelsharen mantel, niet om het profeetschap, niet om een krachtig optreden in het openbaar. Het gaat om het innerlijke, om het hart, dat klopt voor het recht en de eere des Heeren, om de waarachtige bekeering, om het geloof, om de hope, om de liefde, die God en menschen in de ziel draagt.
De Heilige Schrift zegt ons zoo duidelijk, dat er zonder bekeering van eigenlijke gebedsverhooring geen sprake is. „God hoort de zondaars niet!” d. i. God hoort niet, als daar niet is een werkelijk belijden en dies ook laten der zonde. Ook al zou de bekeering nog maar zijn een uitwendig zich buigen voor den Heere, zonder ware hartsverandering dus, is de verhooring nog niet uitgesloten. Ook het gebed van den niet-wedergeborene wordt dikwijls verhoord. Vanzelf strekt zich het gebed en ook de verhooring dan slechts uit over de dingen des tijds, de omstandigheden des levens. Een net, wereldsch mensch, verzekerde mij eens, dat hij vast geloofde in 't bestaan van God en als grond voor dat geloof gaf hij op, dat hij in nood verkeerende nimmer tot God had geroepen, of er was uitkomst gekomen. Denk in dit verhand ook aan de negen melaatschen, wier roepen de Heiland hoorde. Godsdienstige menschen leggen dikwijls van die gebedsverhooringen een fundament om daarop hunne hope voor de eeuwig heid te bouwen.
Daartegenover kan worden opgemerkt, dat ook niet elk gebed van den wedergeborene verhoord wordt. Laten wij hier maar geen mouw aanpassen, door te spreken van niet verhooren en toch verhooren; 't is aardig gevonden en gemakkelijk te verstaan ook, maar zulk een verhooren is geen verhooren doch een afwijzen. Daarvoor, voor dat af wijzen, zullen Gods kinderen Hem ook eenmaal danken. Vele gebeden van oprechte kinderen des Heeren zijn onverhoord gebleven. Maar ook niet alle gebeden van Gods volk zijn gebeden, die de Heere werkt door Zijnen Geest en die dus zijn naar Zijnen wil. Hoe meer dat volk zichzelf leert kennen, hoe meer het de bevestiging daarvan ziet.
Het kan zijn, dat wij een nieuw hart bezitten en dat wij toch niet zijn „van gelijke bewegingen” als Elia, dat het ons om iets anders te doen is dan hem. Zocht Elia regen? Ja, maar niet om den regen; hij zocht dien om den Heere en het volk des Verbonds. Elia zocht in de tijdelijke uitredding het eeuwig belang. Hoe menigmaal — 't is met schaamte te belijden — zoeken wij in ons gebed niet dan een oogenblikkelijk voordeel.
Van gelijke bewegingen als Elia! Dan zal ons gebed een smeeken der liefde smart zijn tot den Heere en niets bedoelen dan Zijne verhooging in de verhooring van het gebed. Want het gaat in den grond der zaak om de verheerlijking des Heeren.
Hebben wij daar kennis aan? Is, om enkele zaken te noemen, is ons bidden om genade, om schuldvergeving vrucht van de diepe erkentenis, dat wij den Heere bedroefd en vertoornd hebben of vrucht van vreeze voor straf? Gaat het ons bij de smeeking om vermeerdering des geloofs om den achterstand in te halen, dien wij opmerken, dat er bij ons bestaat in vergelijking met anderen, dus uit een zekere naijverigheid, of is het ons waarlijk te doen om den opwas in het allerheiligst geloof, omdat .wij gevoelen, dat de Heere het zoo waardig is, dat wij ons volkomen bewust Hem toevertrouwen? Komt ons bidden, dat wij voor anderen doen, voort uit eene zekere vooringenomenheid met hen, zoo dat wij onzen vrienden wel, onzen vijanden eigenlijk niet de zaligheid gunnen, of zoeken wij in de veelheid der onderdanen, des Konings heerlijkheid? En als wij bidden om redding uit tijdelijken nood, doen wij het dan wel in het besef onzer onwaardigheid, terwijl wij God God laten?
De Heere geve ons, dat wij ons nauw keurig onderzoeken. Dat heeft ieder kind des Heeren zoo noodig! Veler dag is verdonkerd, veler leven is als uitgedroogd, omdat het „van gelijke bewegingen als Elia” niet gevonden werd. Doch waar dat gevonden wordt in het ootmoedig gebed tot God, in de volharding in het smeeken, daar is de Heere bekend geworden als de Hoorder der gebeden. Daar werd de dag der benauwdheid gekend en het aanroepen des Heeren in den dag der benauwdheid, en het „Ik zal er hem uithelpen” kroonde het roepen tot den Heere.
Klagen doen wij veel, te veel!
Waarlijk bidden maar weinig !
Met onze klacht tot den troon der genade, ook met de klacht over de vleeschelijkheid van ons gebed en den geringen gebedsnood onder ons!
Hoe dichter bij den Heere, hoe meer, hoe dringender gebed.
De gebedsbehoefte zal ons leeren, hoe het staat met het leven des geloofs.
F. Lengkeek

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 december 1925

De Wekker | 4 Pagina's

Gebedsverhooring 3

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 december 1925

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken