Bekijk het origineel

Een val en opstanding. (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een val en opstanding. (3)

4 minuten leestijd

„En alle de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te hooren. En de farizeërs en schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars en eet met hen. Luk. 15:1, 2.

Dit, dat alle de tollenaars en de zondaren tot Jezus naderden, wijst ons op hetgeen van Jezus is.
Dat is de ware liefde!
De ware liefde, die niet maar een afkeurend woord heeft voor de zonde, hoewel zij niet anders kan noch wil dan de zonde zoo streng mogelijk te veroordeelen, doch die in den zondaar ziet den schuldigen ongelukkige, of, wilt ge, den ongelukkigen schuldige. De liefde, die niet in kwetsende nederbuigende goedheid komt tot haar voorwerp, doch die juist dat voorwerp zijn hooge, door de zonde verminkte en ontredderde, waarde doet gevoelen.
Daar is zoo'n groot onderscheid tusschen de zonde-beoordeeling en daarom ook-veroordeeling van den farizeër en schriftgeleerde en die van den Heere Jezus!
Voor de eersten is de zonde overtreding van bestaande, eerbiedwaardige instellingen; voor Jezus overtreding van de wet Gods.
Volgens schriftgeleerde en farizeër is de zonde verlaging van den mensch, meer, dieper is zij niet; voor Jezus is zij verlaging van den mensch, omdat zij is eene bedroeving en onteering des Allerhoogsten.
Door de leiders des volks wordt mensch tegenover mensch in vergelijking geplaatst; de tollenaars en zondaars zijn niet gelijk zij.
Door Jezus wordt de zondaar tegenover den Heilige geplaatst. Er is geen sprake van, dat Hij, meer dan farizeer en schriftgeleerde, Zijne onzondigheid zou plaatsen tegenover de overtreding van den tollenaar.
Het „ik ben heiliger dan gij” is iets natuurlijks in den natuurlijken mensch; het kan niet opkomen in Jezus' hart, noch gaan over Zijne lippen.
Vergelijking met menschen wekt wrevel, verbittering, dikwijls ook ontmoediging. Vergelijking met God, wie, die nog vasthoudt aan het bestaan van God, dat heilige en volmaakte Wezen, gevoelt niet, dat deze op haar plaats is? Het kennelijke Gods spreekt in zijn hart. Het geweten is, in dien weg, mee.
Hierin ligt o.i. eene vingerwijzing van groote waarde voor ieder, wien het opgelegd is, leiding te geven, ouders, onderwijzers, ouderlingen, predikers. Ontbreekt de ware, zelfverloochenende, begrijpende liefde, dan stoot men af. Wat is, strikt genomen, onze voortreffelijkheid tegenover die van anderen? Zien zij, die wij te leiden hebben, onze fouten niet? Wij zijn allen zondaars. De eenige plaats, waar wij elkander moeten ontmoeten om elkander te verstaan, is de nabijheid Gods. Als wij daar zijn, wat verstaan wij het dan, medelijden, diep medelijden te hebben met, in liefde uit te gaan lot den medezondaar!
In die gemeenschap Gods was de Heiland altijd. Zeker als de eeuwige Zoon is Hij in den schoot des Vaders. Wij hebben hier evenwel niet op het oog de Godheid des Heilands, maar gelijk de Zoon, vleesch geworden, als mensch onder ons heeft getabernakeld. De mensch Christus Jezus leefde in de liefde Gods, handelde en sprak uit die liefde. Hoe verstond Hij, de Zondelooze, den zondaar vol ongerechtigheid! Hoe verstond Hij, dat van den zondaar geene verwachting zijn kon, onmachtig en onwillig als hij ligt onder de zonde! Niet de verzoening met Hem, den heiligen en rechtvaardigen Zoon des menschen, had hij noodig maar verzoening met God, Daarom geeft Hij zich aan den mensch, wie deze ook zijn moge.
Er is bij Hem geen aanneming des persoons, geen voorkeur of verwerping van stand. Hij onttrekt Zich niet aan den farizeer en den schriftgeleerde. Zij onttrekken zich aan Hem. Een Nicodemus, die Hem zoekt, vindt Hem.
Tollenaren en zondaren naderen tot Hem, om Hem te hooren. Wat kunnen zij dit, wat het uiterlijke betreft, gemakkelijk doen. Geen ceremonie, geen etikette, geen voorgeschreven vorm, geen aandiening maakt dat komen moeilijk. Er is geene hoogheid in den Profeet van Nazareth. Tot welk zondaar heeft Hij ooit gezegd: Ik heb voor u geen woord; gij zijt Mij te min? Juist deze tegenstelling moest de aandacht trekken, vrijmoedigheid geven, om tot Hem te gaan. En de boodschap, die Hij bracht, zoo zuiver, zoo belangeloos alleen bedoelende het waarachtig heil dergenen, die Hem hoorden, trok nog te meer. Was zij geen weerklank van het Woord des Heeren: „Gewisselijk, Ik heb geen lust in den dood des zondaars, maar daarin heb Ik lust, dat hij zich bekeere en leve" ? Geen weerklank op het: „De goddelooze verlate zijnen weg en de ongerechtige man zijne gedachten, en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk" ?
Geen zonde in betrekkelijken, maar in volstrekten zin, en geen genade in betrekkelijken zin, doch in volstrekten predikt hij.
Dat is het, wat tollenaren en zondaren waardeeren. Christus gaat getrouw met God en menschen om.
Schriftgeleerden en farizeen ergeren zich aan de prediking van zonde en genade; de eerste hebben zij niet, de tweede hebben zij niet noodig.
Tollenaren en zondaren buigen het hoofd onder de prediking van zonde en genade; de eerste is maar al te zeer hun deel, de tweede behoeven zij.
Het is de Waarheid, en daarom de Liefde, die spreekt.
En de waarheid getuigt voor zichzelve, daar, waar ook, geheel menschelijk gesproken, een plaats voor haar is. Er is, zoo genomen, een plaats voor haar, in tollenaren en zondaren.
Dat wil nog niet zeggen, dat deze allen nu ook de waarheid gehoorzaam zijn geweest. Daartoe is meer noodig dan een verstandelijk toestemmen en gevoelig wel erkennen van de waarheid.
Zelfs dit teekent ons deze tollenaren en zondaren nog niet als waarlijk begenadigden, dat Jezus hen ontving en met hen at. Wel zegt het ons van den Heiland, hoe zeer Hij Zich in Zijne zondaarsliefde gaf.
Zal er werkelijk een komen tot Christus zijn, dan moet er een tollenaar, een zondaar komen, die, niet alleen voorwerpelijk gesproken en gezien dat is, maar die het is in onderwerpelijken zin, een zondaar voor God, die alleen dan als de Heere met Zichzelf hem vervult, vrede kan hebben.
't Is best mogelijk, dat er onder die tollenaars en zondaren geweest zijn, voor wie het komen tot en ontvangen van en eten met Jezus al genoeg is geweest; zij zijn, zij het dan ook in een anderen zin, van zondaren en tollenaars schriftgeleerden en farizeen geworden. De verandering in hun leven is geene verandering des harten geweest.
Voor tollenaars en zondaren geldt ook het woord, tot Nicodemus gesproken: „Voorwaar, voorwaar, zeg ik u, tenzij een mensch wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." Geboren worden is levensvoorwaarde in het natuurlijke, evenzoo in het geestelijke.
Wie onder hen de wedergeboorte door Woord en Geest deelachtig werd, diens komen tot Jezus was anders dan dat der overigen. Hij kwam als arme van geest, als hongerige en dorstige naar de gerechtigheid, waaraan Christus het „zalig" hecht.
Voor dezen was de Heiland eene opstanding.  
Door het geloof in Hem leefden zij in de hope des levens.
Door het geloof deden zij meer dan met Hem aanzitten en met Hem eten.
Zij aten het geestelijke Manna, Zijn vleesch en bloed.
Zij dronken het water uit de steenrots, Christus.
Hij was hun Behouder, hunne verzoening met God.

Hoe staan wij persoonlijk tegenover deze dingen? Wat is Jezus voor ons?
Een val?
Het zal vreeselijk zijn, eenmaal voor Hem te moeten verschijnen, en dan te moeten hooren: Ik heb u nooit gekend. Tevreden met uw doen of weten gaat ge door dit leven, het maatschappelijk politieke, bet kerkelijk godsdienstige leven. Maar een Zaligmaker hebt gij niet noodig. Geen Jezus, die u ontvangt. Wel een Jezus, tot wien gij u kunt opheffen. Arme mensch, waar zult gij u bergen! Een val?
Het zal vreeselijk zijn, Zijn vonnis te hooren, als ge misschien verstandelijk en gevoelig in Jezus gemeend hebt te gelooven, een zekere verandering in uw leven kent en daarvan de grond uwer hope maakt. Ook gij niet gekend, al zoudt gij zeggen in den dag des gerichts: Heere, heb ik met U niet gegeten en gedronken ?
Het zij ons toch te doen om de waarheid, opdat wij werkelijk in Hem gelooven mogen en Hij niet slechts zij onze Profeet, of onze Koning, of onze Priester alleen maar én onze Profeet én onze Priester én onze Koning.
Tot de in waarheid gebogen, schuldige ziel wil Hij afdalen.
Hij wil met zondaren eten en drinken; Zichzelf aan hen geven.
Geen hoogheid des harten, geen hoogheid van weten of doen sta ons in den weg.
Gebeden om een hart, dat Jezus noodig heeft, dat instemt met het bekende:

Geef mij Jezus, of ik sterf,
Want buiten Jezus is geen leven
Maar een eeuwig zielverderf.

Dat is de weg, om te komen tot het:
Weg wereld, weg schatten!
Gij kunt niet bevatten, Hij rijk ik wel ben.
'k Heb alles verloren,
Maar Jezus verkoren,
Wiens eigen ik ben. 

L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1926

De Wekker | 6 Pagina's

Een val en opstanding. (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1926

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken